Wen eraan: Europa wordt als New York

Migratiestromen maken van Europa onvermijdelijk een soort New York. We moeten racisme, dat dit proces probeert tegen te gaan, met wortel en tak uitroeien.

We moeten eerlijk toegeven dat veel Europeanen de groeiende aanwezigheid van buitenlanders nog steeds niet kunnen verdragen – niet alleen mensen met een andere huidskleur, maar eigenlijk vooral mensen uit minder ontwikkelde landen.

We willen nog steeds het idee niet aanvaarden dat elke Europese stad in de komende jaren eruit zal zien als New York of als sommige Latijns-Amerikaanse landen.

In New York zijn we getuige van de ontkenning van de utopie van de ‘smeltkroes’. De diverse culturen versmelten niet met elkaar, maar bestaan naast elkaar, van de Puerto Ricanen tot de Chinezen, van de Koreanen tot de Pakistanen. Sommige groepen hebben zich gedeeltelijk gemengd met de afstammelingen van de Pilgrim Fathers, zoals de Italianen en de Ieren, de Joden en de Polen. Anderen zijn op zichzelf gebleven – ze leven in eigen wijken, spreken andere talen dan Engels en volgen uiteenlopende tradities. Ze slagen er allemaal in om samen te leven op basis van enkele gemeenschappelijke wetten en van een gedeelde lingua franca, die elke groep onvoldoende beheerst.

Ik vraag u om u te realiseren dat in New York, waar de ‘blanke’ bevolking op weg is om een minderheid te worden, 42 procent van de blanken Joods is. De andere 58 procent is van de meest uiteenlopende afkomsten. De Angelsaksische protestanten vormen hoe dan ook een minderheid.

Afhankelijk van het land vermengden de Spaanse kolonisten zich in Latijns-Amerika nu eens met de indianen, dan weer – zoals in Brazilië – met de Afrikanen. Dan wordt het erg moeilijk om, als we in racistische termen van ‘bloed’ denken, van een Mexicaan of een Peruaan te zeggen dat hij van Europese of Amerikaans-indiaanse afstamming is.

De toekomst van Europa wordt eenzelfde soort verschijnsel. Geen racistische of naar het verleden kijkende reactionair zal dit kunnen tegenhouden.

Het echte probleem is dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de begrippen ‘immigratie’ en ‘migratie’. ‘Immigratie’ gebeurt als enkele individuen (het mogen zelfs veel individuen zijn, zolang hun aantallen statistisch gezien maar onbelangrijk zijn op de oorspronkelijke bevolking) van het ene naar het andere land verhuizen (zoals de Italianen en de Ieren in Amerika, of de Turken in het Duitsland van vandaag). Het verschijnsel van immigratie kan politiek worden beheerst, gepland, aangemoedigd of beperkt.

Dit is niet het geval met migratie. Of het nu gewelddadig of vreedzaam gaat, het gedraagt zich als een natuurlijk verschijnsel. Het gebeurt. Niemand kan het beheersen. ‘Migratie’ gebeurt als een heel volk beetje bij beetje verhuist van het ene gebied naar het andere. Het aantal mensen dat in het oorspronkelijke gebied achterblijft, doet er niet toe. Wat telt, is de mate waarin de migranten de cultuur veranderen van het gebied waar zij naartoe zijn verhuisd.

Er zijn grote volksverhuizingen geweest van oost naar west. In de loop hiervan veranderden de volkeren van de Kaukasus de cultuur en het biologische erfgoed van de inheemsen. Er waren de verhuizingen van de zogenoemde ‘barbaarse’ volkeren die het Romeinse Rijk binnenvielen, nieuwe culturen tot stand brachten en de nieuwe ‘Romeins-Germaanse’ koninkrijken vestigden. Er was de Europese migratie naar het Amerikaanse continent, enerzijds van de oostkust landinwaarts tot uiteindelijk Californië en anderzijds van de Caribische eilanden en Mexico helemaal tot de Zuidkegel van Zuid-Amerika. Hoewel deze gedeeltelijk politiek gepland was, gebruik ik de term ‘migratie’ omdat de Europese blanken de zeden en gewoonten en de cultuur van de inheemsen niet overnamen, maar een nieuwe beschaving vestigden waaraan zelfs de inheemsen – dat wil zeggen degenen die het overleefden – zich aanpasten.

Er zijn onderbroken volksverhuizingen geweest, zoals die van de Arabische volkeren die helemaal waren doorgedrongen tot het Iberische schiereiland. Er zijn vormen van migratie geweest die waren gepland, maar daarom niet minder invloedrijk waren, zoals die van de Europese kolonisten richting het oosten en het zuiden. Daar veranderden de migranten evengoed de cultuur van de autochtone volkeren – en riepen zo de zogenoemde ‘postkoloniale’ culturen in het leven.

Ik denk niet dat iemand tot nu toe een fenomenologie van de verschillende soorten van migratie heeft beschreven, maar migratie is zeker iets anders dan immigratie. Er is alleen maar sprake van ‘immigratie’ als de immigranten – die zijn toegelaten volgens een politiek besluit – de meeste zeden en gewoonten aanvaarden van het land waar zij naartoe zijn geïmmigreerd. Van ‘migratie’ spreken we als de migranten – die niemand bij de grens kan tegenhouden – de cultuur van het gebied waar zij zijn binnengedrongen radicaal omvormen.

In onze tijd, na een negentiende eeuw vol immigranten, in een klimaat dat wordt gekenmerkt door een uitgesproken mobiliteit, is het erg moeilijk om uit te maken of bepaalde verschijnselen onder immigratie of onder migratie vallen. Er is zeker een niet te stoppen stroom van het zuiden naar het noorden, van Afrikanen en mensen uit het Midden-Oosten die naar Europa komen. De Indiërs zijn Afrika en de eilanden in de Stille Oceaan binnengedrongen. De Chinezen zijn overal. De Japanners zijn aanwezig met hun industriële en economische organisaties, zonder dat ze zelf fysiek in beduidende aantallen zijn verhuisd.

Is het nog wel mogelijk om immigratie van migratie te onderscheiden als de hele planeet het gebied wordt van elkaar kruisende bewegingen van mensen? Ik denk van wel. Zoals ik heb gezegd, kan immigratie politiek worden beheerst. Evenmin als met andere natuurlijke verschijnselen kan dit met migratie niet. Zolang er immigratie is, kunnen volkeren de hoop koesteren dat ze de immigranten in een getto houden, opdat ze zich niet met de inheemsen zullen vermengen. Bij migratie zijn er geen getto’s meer en is kruising niet in de hand te houden.

De verschijnselen waarop Europa nog steeds grip probeert te krijgen, zijn gevallen van immigratie – niet van migratie. De Derde Wereld klopt aan de poorten van Europa. Ze zal binnenkomen, ook al is Europa het hier niet mee eens.

Het probleem is niet langer – zoals politici het doen voorkomen – dat we moeten beslissen of studenten aan de Parijse universiteit een chador mogen dragen of hoeveel moskeeën er mogen worden gebouwd in Rome. Het probleem is dat Europa in de volgende decennia – aangezien ik geen profeet ben, kan ik niet precies zeggen wanneer – onomkeerbaar een multiraciaal of, zo u wilt, een ‘gekleurd’ continent zal zijn. Of u het leuk vindt of niet: zo zal het gaan.

Deze ontmoeting (of botsing) van culturen zou kunnen leiden tot bloedvergieten. Ik ben ervan overtuigd dat dit in zekere mate ook zal gebeuren. Hier en daar is het al bewaarheid. Zo’n uitkomst kan niet worden voorkomen en zal een lange tijd duren.

Toch zouden racisten een uitstervend ras moeten zijn. Was er niet een patriciërsklasse in het oude Rome die het idee niet kon uitstaan dat Galliërs, of Sarmaten, of Joden als Paulus Romeinse burgers werden, of dat een Afrikaan de keizerlijke troon besteeg, zoals uiteindelijk inderdaad zou gebeuren? De patriciërs zijn vergeten, verslagen door de geschiedenis. De Romeinse beschaving was een hybride cultuur. Racisten zullen zeggen dat ze om deze reden viel, maar dit duurde wel vijfhonderd jaar. Het eindresultaat was niet de ineenstorting van elke vorm van beschaafde samenleving, als wel de geboorte van Europa, met zijn talen en jonge naties.

In de loop van zo’n migratieproces krijgen de Europeanen te maken met nieuwe vormen van fundamentalisme, uitgedrukt door uiteenlopende culturen en religies, maar we moeten ervoor oppassen om niet het uitheemse fundamentalisme tegenover onze eigen vormen van fundamentalisme te plaatsen. De duivel kan niet worden uitgedreven met Beëlzebub.

De strijd tegen onze onverdraagzaamheid betreft niet alleen degenen die zogenaamd buiten de gemeenschap staan. Het is een vorm van wishful thinking om de nieuwe verschijnselen van antisemitisme te zien als een marginale ziekte die zich beperkt tot een stelletje losgeslagen idioten. Recente voorvallen leren ons dat het spook van deze duizendjarige obsessie nog steeds onder ons is.

We moeten vandaag in Nijmegen, waar we de eerste utopie van een Europese vrede vieren, de oorlog aan het racisme verklaren.

Als we niet in staat zijn om deze eeuwenoude tegenstander te verslaan, zullen we altijd in oorlog blijven, ook al hebben we onze geweren boven op zolder gezet – en er zijn nog veel geweren in omloop, zoals onlangs maar weer is gebleken met de slachting op het Noorse eiland Utøya en met het bloedbad op de joodse school in Frankrijk.

Onverdraagzaamheid is een eeuwige bedreiging voor een staat van veronderstelde vrede. Het is moeilijk om ervan af te komen. Onverdraagzaamheid heeft biologische wortels, doet zich onder dieren voor als gebiedsdrang en is gebaseerd op emotionele reacties, die vaak oppervlakkig zijn. We kunnen degenen die anders zijn dan wij niet verdragen omdat hun huid een andere kleur heeft, omdat ze een taal spreken die we niet verstaan, omdat ze kikkers eten, of honden, apen, varkens, of knoflook, omdat ze zichzelf tatoeëren…

Het is misschien verspilling van tijd om er nog verdraagzaamheid in te hameren bij volwassenen die op elkaar schieten wegens etnische en godsdienstige redenen. Het is te laat. Daarom moet onbeheerste onverdraagzaamheid tot in haar wortels worden bestreden, door een constante opvoeding die begint in de vroegste kinderjaren, voordat ze is neergeschreven in een boek en voordat ze een ‘huid’ van gedrag is geworden die te dik en te taai is.

Het moet mogelijk zijn om, in de loop van onze eendrachtige oorlog tegen onverdraagzaamheid, altijd onderscheid te maken tussen wat wel en niet te verdragen is. Het moet mogelijk zijn om te besluiten hoe we een nieuwe veelzijdigheid van waarden en gewoonten kunnen aanvaarden zonder afstand te doen van het beste van ons Europese erfgoed. Ik ben hier vandaag niet om oplossingen voor te stellen voor het belangrijkste probleem van een nieuwe Europese vrede, maar om te benadrukken dat we alleen een echte vreedzame toekomst zullen hebben door de uitdaging van deze alomtegenwoordige oorlog recht in het gezicht te zien.

Umberto Eco is een Italiaanse schrijver en literatuurwetenschapper. Dit is een verkorte versie van de rede die hij maandag in Nijmegen uitsprak bij het aanvaarden van de Vrede van Nijmegen Penning 2012. Vertaling: Felix van de Laar. De Vrede van Nijmegen Penning is een initiatief van de gemeente Nijmegen, de Radboud Universiteit Nijmegen, Royal Haskoning en het ministerie van Buitenlandse Zaken. Zie vredevannijmegenpenning.eu