Verbonden met het moederland

De Wereldomroep zendt vrijdag voor het laatst uit voor Nederlanders overzee. Drie luisteraars vertellen hoe belangrijk de radiozender was voor de band met thuis.

„’s Avonds nadat we een echte Hollandse boterham op hadden, luisterden we naar de Wereldomroep. We noemden het ‘ons heilige uurtje’. Dan mocht niemand ons storen, dat was algemeen bekend.” Pater Pieter Pubben (81) vertelt wat de Wereldomroep voor hem betekende toen hij nog missionaris was in Afrika. Nu woont hij in het Brabantse Gennep, maar van 1961 tot 1999 werkte hij in Angola.

„Ik begon en eindigde mijn missiewerk in Angola in het plaatsje Caconda. Ik heb meerdere missies gehad. Het is niet goed om te lang op dezelfde plek te blijven, dan raak je vastgeroest. Wij verbleven een paar kilometer buiten het dorp, om afstand te houden van de Portugese kolonialen. Bij de missie was een patershuis, een internaat voor jongens. Er was veel reuring. We leidden mensen op, deden natuurlijk de dopen, het huwen, de communie. En we gaven les, in lezen en schrijven. Dat deed ik graag, ik vond het fijn dat ik mensen meer kon geven dan het geloof alleen.

„Het grootste deel van de tijd verbleef ik met twee of drie andere paters op de missie, maar er waren ook lange periodes dat ik alleen was. Dat is eigenlijk niet de bedoeling, je hebt natuurlijk geen vrouw en kinderen. Je medebroeders zijn je familie.

„Via de Wereldomroep luisterden we naar berichtgeving over de wereldpolitiek, het nieuws uit Nederland en kerknieuws. De Wereldomroep gaf ons ook ontspanning. Broeders op andere missies vroegen plaatjes aan. Ik niet. Een avond, vlak voor de nieuwsuitzending, zei de man van de radio: ‘Pater Pubben, bent u daar? Blijf luisteren we hebben zo een verrassing voor u.’ En na het nieuws: ‘Nu volgt een boodschap voor Pater Pieter Pubben in Angola, hier is uw moeder!’ En daar sprak ze in het Limburgs, niet opgelezen van een briefje maar spontaan, niemand die het verder kon verstaan. Het deed me veel, ik wilde terugpraten, maar dat had geen zin natuurlijk.

„Ik heb nogmaals een persoonlijk bericht via de Wereldomroep ontvangen. ‘Pater Pubben u komt nu terug naar Nederland, uw vader is ziek.’ Hij had kanker en alles wees erop dat hij op sterven lag. Ik was op dat moment alleen op de missie, maar ik heb toch mijn koffers gepakt. In september 1976 kwam ik in Nederland aan, mijn vader heeft nog ruim vier maanden geleefd. Die tijd ben ik bij hem gebleven. Na zijn overlijden keerde ik terug naar Angola.

„Daar waren de verschillende guerrillabewegingen na de onafhankelijkheid in 1975 tegen elkaar gaan vechten. Voorheen zat ik prima in de binnenlanden, maar dat veranderde nu. De missiepost werd afgesloten van de buitenwereld. De aan de nieuwe regering gelieerde MPLA bezette onze post en in de bossen eromheen hield de Unita-beweging zich op. We konden nergens meer heen. In die tijd was de Wereldomroep ontzettend belangrijk. Het was de enige manier om berichten te krijgen, het enige contact met de buitenwereld en dan nog in het Nederlands ook. In de tweeënhalf jaar dat ik geïsoleerd was door de gevechten, luisterde ik heel veel.

„Van de regeringstroepen mochten we de gewonden uit de bossen niet behandelen. Ze zeiden: ‘Vijand is vijand, die moet je afmaken.’ Ik antwoordde wel ja, maar natuurlijk behandelden we de mensen. Ik wilde neutraal blijven. Maar de mensen zagen dat niet zo. Ze vertrouwden me niet en vroegen aan welke kant ik stond. Honger had ik in die tijd niet, ik kreeg elke dag havermoutpap. Ook kon ik eten bij de zusters, iets verderop.

„Eenmaal werd ik overvallen. Ze forceerden de deur en zochten naar wapens. Die had ik natuurlijk niet. Ze hadden de opdracht mij niets te doen, maar ik was zo kwaad. Ik weet nog heel goed dat ze mijn wereldontvanger uit mijn handen pakten, die griste ik terug.

„In 1999 vertrok ik. Ze vroegen of er nog buitenlanders in het gebied waren. De mensen in het dorp wezen op de missionaris. ‘Zorg maar dat hij teruggaat naar zijn land,’ zeiden ze. Ik vertrok met de bedoeling weer terug te keren als het rustiger werd. Maar na een paar maanden in Nederland bedacht ik me. Ik ben hier gebleven.”