Straatjoch en messias

Muzikale puristen maken een onderscheid tussen zijn carrière voor en na het grote succes in het Westen. Maar Bob Marley is altijd dezelfde gebleven.

Hoe ongelooflijk goed Bob Marley & The Wailers begin jaren zeventig waren, is het best te horen in het optreden dat ze in 1973 gaven in de studio van de BBC in Londen. De drie Wailers, die toen al tien jaar samen in verschillende ska-, rocksteady- en reggaebands hadden gespeeld, waren met een paar begeleiders naar Londen gekomen voor de promotie van Catch A Fire, hun eerste lp voor een westers label. In zijn documentaire Marley kon de Schotse documentairemaker Kevin Macdonald niet om een fragment van dit legendarische optreden heen. Het laat Bob Marley (1945-1981) zien, die samen met Peter Tosh (1944-1987) en Bunny Wailer (1947) in een krappe ruimte Concrete Jungle speelt. Nog treffender dan het wonderlijk wiebelende vlechtwerk van gitaarakkoorden is de versmelting van het tweestemmige gospelkoortje van Tosh en Wailer en de onvaste zang van Marley.

Hoe ze moesten spelen en zingen, hadden de drie Wailers geleerd van hun muziekleraar Joe Higgs die ook in Marley wordt genoemd. Higgs liet ze eind jaren zestig elke dag urenlang oefenen in samenzang. Maar dit was nog niet genoeg voor het internationale succes waarvan ze droomden. Daar was een blanke Jamaicaan voor nodig, Chris Blackwell, de oprichter van het Island-label die uit het politiek verscheurde en gewelddadige Jamaica naar Londen was verhuisd. Blackwell herkende het talent van The Wailers en vooral dat van Bob Marley die hij tot voorman bombardeerde. Hij gaf Bob Marley & The Wailers een flinke zak geld om Catch A Fire (1973) op te nemen en haalde ze vervolgens naar Londen voor optredens. Dit was niet alleen het begin van het succes van Bob Marley & The Wailers, maar ook van het einde van de vriendenband. Vooral Peter Tosh, de oorspronkelijke leider van The Wailers, kon de prominente rol van Bob Marley niet verkroppen. Bunny Wailer (echte naam Livingston) had een hekel aan lange tournees door koude landen en trok zich terug in zijn huis op het platteland van Jamaica.

Zo goed als op Catch A Fire en Burning, ook uit 1973, zouden Bob Marley & The Wailers nooit meer worden. Na het vertrek van Tosh en Wailer groeide Marley weliswaar uit tot de grootste popster uit de Derde Wereld aller tijden, maar de I-Threes, het driekoppige vrouwenkoortje van de nieuwe Wailers, konden de oude Wailers niet doen vergeten.

Voor reggaepuristen is het uiteenvallen van het driemanschap reden om onderscheid te maken tussen de zuivere Marley van vóór 1975 en de commerciële Marley van na 1975, het jaar waarin hij met de live versie van No Woman No Cry zijn eerste wereldhit haalde. Maar uit de Marley-documentaire van Macdonald, een knappe mengeling van archiefbeelden en interviews met vele vrienden, kennissen en familieleden van Marley, blijkt dat er van een sell out van Marley in 1974 geen sprake is. Zeker, na het vertrek van Tosh en Wailer was de betovering van The Wailers verbroken , maar Marley had al bij Catch A Fire muzikale concessies gedaan om de verkoopbaarheid van zijn muziek in het Westen te bevorderen. In 1973 was hij naar Londen gekomen om samen met Island-baas Blackwell de originele, in Jamaica gemaakte banden van Catch A Fire te ontdoen van de zware bassen en hier en daar te versieren met gitaarsolo’s om de westerse oren te behagen.

Bovendien was de Bob Marley van na 1975 niet alleen in muzikaal maar ook in politiek, religieus en persoonlijk opzicht niet anders dan de Bob Marley van vóór 1975. Geweld bleef bijvoorbeeld een belangrijk element in zijn leven. In het begin van hun carrière waren Marley, Tosh en Wailer ska spelende rude boys, zoals de rauwe jongens werden genoemd wier gangsterimago vaak overeenkwam met de werkelijkheid op Jamaica. In 1976 raakte Marley gewond bij een aanslag op zijn leven door onbekenden in zijn huis in Kingston. Zijn oude vriend Peter Tosh werd in 1987 in zijn huis in koelen bloede vermoord, zes jaar nadat Marley zelf aan kanker was overleden.

Ook als wereldster bleef Marley een aanhanger van het rastafariaanse geloof, een rare mengelmoes van joods-christelijke en Jamaicaans-Afrikaanse religies waarin de Ethiopische keizer Haile Selassi (1892-1975) de rol van de teruggekeerde messias vervult. Sterker nog, na 1975 kreeg Marley zelf steeds meer messiaanse trekken en verkondigde hij zijn rastageloof luider en luider, ook in zijn muziek. In Marley laat Macdonald hem bijvoorbeeld zeggen dat zijn persoonlijke lot hem niet interesseert en het belangrijkste doel in zijn leven de bevrijding van zijn volk is.

Met ‘zijn volk’ bedoelde Marley, die als zoon van een blanke Britse vader en een zwarte moeder in zijn jeugd wegens zijn lichte huid werd gepest, de zwarten die in Jamaica en het Westen in ballingschap zouden leven en eens zouden terugkeren naar Afrika, het beloofde land.

Marley zelf ging verschillende keren naar Afrika. In 1980 trad hij op in Gabon, op initiatief van de dochter van dictator Omar Bongo Ondimba die verliefd op hem was. In hetzelfde jaar gaf hij een concert tijdens de feestelijkheden ter gelegenheid van de onafhankelijkheid van Zimbabwe. Beide optredens komen uitgebreid voor in Marley, maar het bezoek van Marley aan Ethiopië, waar hij in de watten werd gelegd door het toenmalige marxistische regime, laat Macdonald achterwege.

Als rokkenjager bleef Marley na 1975 eveneens buitengewoon actief. Hij was weliswaar getrouwd met Rita Marley, maar als rastafariaan beschouwde hij het huwelijk als een aan de zwarten opgedrongen instituut van de blanke onderdrukkers. Elf, twaalf of dertien kinderen – de Marleydeskundigen zijn het niet eens over het precieze aantal – kreeg hij in zijn korte leven, van zeven vrouwen. Een van hen is Cindy Breakspeare (1954), de Jamaicaanse Miss World uit 1976 die in Marley veel aan het woord komt.

Uit zijn bezoek aan Gabon en vooral aan Ethiopië blijkt hoe naïef en inconsistent Marley’s politieke en religieuze opvattingen waren. Hij zong vaak over vrijheid, maar trad zonder bezwaar op voor dictators. En hij verloor zijn geloof in Haile Selassie niet toen de teruggekeerde verlosser in 1975 toch sterfelijk bleek.

Maar het zijn dan ook niet zijn precieze overtuigingen die hem tot op de dag van vandaag zo populair maken. Dat is zijn muziek: Get Up Stand Up, waarin Peter Tosh rapt dat je de mensen soms maar niet altijd kunt bedriegen, is bijna veertig jaar oud maar is nog altijd het universele strijdlied dat bij elke demonstratie kan worden gezongen.