Senaat heeft geen haast met nationale politie

De Eerste Kamer heeft de vorming van de nationale politie niet controversieel verklaard. Maar de inrichting van het ene korps is dat wel.

Wijkagent Necdet Tuluk spreekt bij een rondleiding door Enschede-Zuid vol liefde over zijn wijk. Dat doet hij in de ik-vorm. Kijk, hier heb ik een school. Daar heb ik wat industrie. „Op dit pleintje heb ik vier gezinnen met jeugdproblematiek, achter-de-voordeur-problemen. Het heeft me maanden gekost om dit rustig te krijgen. Hier heb ik een flat met bijna alleen senioren. Die bellen nooit, alleen als er écht iets is.”

Nu houdt Tuluk nog kantoor in een wijkbureau aan de rand van zijn buurt. Meestal gaat hij op de scooter de straat op. „Dat werkt toch beter dan als je in de auto zit.” Straks, als de nationale politie er is, verhuist hij naar het centrale kantoor in het centrum van Enschede. Dan gaan de vijf Enschedese wijkteams op in één groot ‘robuust team’, zoals dat in de plannen voor het nationale korps van minister Opstelten heet.

Wanneer die verhuizing precies plaatsvindt, weet Tuluk nog niet. Maar de reorganisatie is wel weer dichterbij gekomen. Gisteren werd duidelijk dat de Eerste Kamer doorgaat met de behandeling van de nieuwe Politiewet, die de structuur van de politie verandert. Als die wet wordt aangenomen, gaan alle regionale korpsen op in één groot korps.

Necdet Tuluk is niet zo bang voor die nationale politie. Mijn werk blijft hetzelfde, zegt hij. Veel leden van de Eerste Kamer denken daar anders over. De senaat heeft de Politiewet gisteren niet controversieel verklaard, maar kritiek is er nog wel degelijk. Daarom houdt de senaat volgende week een hoorzitting met deskundigen; uitzonderlijk voor de Eerste Kamer. Daarna komt er een tweede en misschien zelfs derde vragenronde aan minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD).

Opstelten maakte sinds zijn aantreden haast met de nationale politie – als het aan hem had gelegen was deze per afgelopen januari al van start gegaan. Nu haalt hij zelfs 1 juli waarschijnlijk niet meer. En sinds het kabinet is gevallen en Opstelten als demissionair minister de omvorming van de korpsen verdedigt, laten de senatoren zich al helemaal niet meer opjutten. Zoals Ruud Koole (PvdA) zegt: „Dit moet zorgvuldig en dus gaan we dit er niet even snel doorjassen.”

De Eerste Kamer let traditiegetrouw vooral op de kwaliteit van wetgeving. De senatoren zijn bang dat in de nieuwe structuur een tweedeling ontstaat: een justitiële politie en een soort openbareordepolitie. Dat klinkt abstract, maar concreet betekent het dat ze vrezen dat de politie zich straks vooral zal bezighouden met vervolging en opsporing van grootschalige criminaliteit. Gemeenten moeten dan zelf maar voorzien in handhaving van de openbare orde op straat. Koole: „Boeven vangen krijgt dan voorrang op preventie en handhaving van de openbare orde. Terwijl veiligheid voor een groot deel juist preventie inhoudt: politie op straat voorkómt criminaliteit.”

Gemeenten vullen dat gat nu al deels in met behulp van buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s). In Enschede-Zuid maakt wijkagent Necdet Tuluk daar al graag gebruik van: „Zij zijn mijn ogen en oren. Ik heb veel baat bij hun werk.” De boa’s bellen hem als er iets mis is waar zij niets aan kunnen doen, zodat hij snel ter plaatse kan zijn. Senatoren zijn vooral bang dat de taken van die boa’s verder uitgebreid worden. Opstelten heeft de garantie gegeven dat er straks één wijkagent per 5.000 inwoners is. Ter vergelijking: Necdet Tuluk heeft nu een buurt van 9.500 inwoners onder zich.

Daarnaast ziet de Eerste Kamer een probleem in de rol van de regioburgemeesters. De nieuwe wet deelt Nederland in tien regio’s in, waarbinnen afspraken gemaakt moeten worden over de inzet van agenten. Als de burgemeesters daar onderling niet uitkomen, moet de ‘regioburgemeester’ bemiddelen en het regionaal beleidsplan opstellen. Maar, zegt de senaat: die regioburgemeester hoeft aan niemand verantwoording af te leggen. Dat is toch gek? „Hier dreigt zelfs een groter ‘democratisch gat’ te ontstaan”, waarschuwt de VVD-fractie in schriftelijke vragen aan de minister.

Tot slot is de rechtspositie van de nieuwe politie controversieel. Minister Opstelten heeft ervoor gekozen de politie als ‘aparte rechtspersoon’ in de wet vast te leggen. Dat betekent dat de korpschef zelfstandig zou kunnen werken, in plaats van dat hij direct onder het ministerie zou vallen. Opstelten zegt dat hij dat juist doet om de schijn te vermijden dat de minister beslist over de inzet van de politie. Daar zijn PvdA, VVD, D66 en GroenLinks kritisch over. Volgens hen betekent deze aparte rechtspositie in praktijk dat de korpschef te veel zijn eigen gang kan gaan. En dat terwijl het over het geweldsmonopolie gaat, zegt één van hen. „Opstelten stelde me gerust: natuurlijk houd ik ze er wel onder. Dat kan hij wel zeggen. Maar straks komt er een nieuwe minister, en dan is het nog maar afwachten.”