Risico op afwijkingen niet hoog met IVF, met ICSI wel

Reageerbuisbaby’s die geboren zijn na een bevruchting door injectie van de zaadcel in de eicel (ICSI-techniek) hebben ongeveer 50 procent meer geboorte-afwijkingen dan kinderen die na een natuurlijke bevruchting op de wereld kwamen. Een gewone reageerbuisbevruchting (IVF), waarbij het zaad nog zelf naar de eicel moet zwemmen en er moet zien binnen te komen, verhoogt niet de kans op geboorte-afwijkingen die voor het vijfde levensjaar kunnen worden vastgesteld.

Australische onderzoekers publiceerden eind vorige week de grootste studie naar geboorte-afwijkingen bij kunstmatige voortplanting. De resultaten zijn online gezet door The New England Journal of Medicine.

Na een natuurlijke bevruchting zagen de onderzoekers bij 5,8 procent van de kinderen geboorte-afwijkingen, in ernst variërend van licht tot levensbedreigend. Ze gebruikten gegevens van ruim 300.000 kinderen van wie er ruim 6.000 door IVF waren geboren. Onder IVF-kinderen telden ze bij 7,2 procent van de kinderen een geboortegebrek; onder ICSI-kinderen was dat 9,9 procent. De andere technieken waren te weinig gebruikt om er harde conclusies uit te kunnen trekken.

Het percentage geboorte-afwijkingen bij IVF- en ICSI-kinderen is dus groter, maar een belangrijke vraag is of het ook door die technieken komt. De moeders van de reageerbuiskinderen waren gemiddeld ouder, hadden vaker diabetes, hoge bloeddruk en bloedarmoede. Er waren ook meer meerlingen bij de IVF-moeders. Die rookten echter minder tijdens de zwangerschap dan de vrouwen die spontaan zwanger werden. Door statistisch te corrigeren voor dat soort risico’s bleef alleen een hoger risico door ICSI bestaan. Dit is in lijn met eerdere onderzoeken. Dit onderzoek is bijzonder door zijn grootte en doordat ook later optredende (tot het vijfde levensjaar) geboorte-afwijkingen zijn meegeteld.

Embryo’s die voorafgaand aan hun implantatie ingevroren zijn geweest, leveren kinderen op met minder geboorte-afwijkingen dan kinderen die groeiden uit ‘vers’ geïmplanteerde embryo’s. Dat opvallende verschil was in andere onderzoeken al gezien. Er zijn twee mogelijke verklaringen: embryo’s waar een geboorte-afwijking ‘in zit’, overleven het invriezen en ontdooien misschien niet, en – verrassender – een embryo dat ingevroren is geweest, wordt geplaatst in een potentiële moeder die de hormoonkuren om eicellen versneld te laten rijpen voor IVF al weer een tijdje achter zich heeft. Er zijn aanwijzingen dat die hormonale stimulatie geboorte-afwijkingen veroorzaakt.