Column

Lustschepping

Het boekenantiquariaat is aan het verdwijnen, zie onze binnensteden: het ene na het andere wordt opgeheven. Niet op internet, integendeel, daar gaan de winkelantiquariaten juist aan kapot. De klant bestelt liever bij bol.com. Daar wordt hij efficiënt geholpen en de verzendkosten neemt hij voor lief.

Sommige antiquariaten rekken hun bestaan door ook op internet te handelen, maar hoe lang zal dat nog lukken? De concurrentie is groot, iedereen kan zo’n handeltje beginnen.

Ik zou het jammer vinden als het winkelantiquariaat verdween. Het geluk van de serendipiteit, zoals dat heet, zal niet meer mogelijk zijn: iets vinden waar je niet naar op zoek was. Op internet kies je gericht, in het antiquariaat rommel je in bakken, op zoek naar een oude Heeresma en je komt thuis met een vergeten Krol. Dat is de magie van het antiquariaat, ook al ruikt het er naar oud stof en vervlogen boekhandelaarsdromen.

Zo vond ik onlangs, vluchtig kijkend in een bak met boeken voor één euro, het boek Priesterroeping & seminarie, in 1964 uitgekomen bij de Haarlemse uitgeverij J.H. Gottmer. Al bladerend zag ik dat het een inkijkje bood in het gedachtengoed van de Nederlandse katholieke kerk in de jaren zestig. Interessant tegen de achtergrond van de recente onthullingen over seksueel misbruik op katholieke kostscholen en seminaries.

Thuis werd ik niet teleurgesteld. Het boek bevatte het hoofdstuk ‘Kulturkampf’ in Grootseminaries (De sexueel-affectieve ontwikkelingen), geschreven door dr. H.A. van Munster, van 1970 tot 1981 vicaris-generaal van het aartsbisdom Utrecht; hij is in 2008 overleden. Toen hij dit hoofdstuk schreef, was de katholieke kerk volop in beroering dankzij de vernieuwingsplannen van paus Johannes XXIII. Het boek van o.a. Van Munster verscheen een jaar na de dood van deze vermaarde paus.

In elke alinea van Van Munster proef je de mentale worsteling die gaande was. Lust werd al wel erkend: „In het wiebelen, dat wij bij tijd en wijle doen, vinden wij een van de vormen van lustschepping, waarin het typische van alle lust, van alle genoegen, zo duidelijk mogelijk naarvoren komt.”

Lust mocht, althans tot op zekere hoogte, het moest niet te gek worden. „De lustgewinning, de libido als men wil, is gelegen in het keerpunt, in de spanning van het ogenblik waarop ik mij niet verder waag en mij weer terugtrek (…).”

Voor priesters, al of niet in opleiding, mocht nog steeds niets van dien aard. „Het zal u duidelijk zijn”, schreef Van Munster, „dat ik niet instem met de soms gemaakte opmerking, dat het celibaat gevaarlijk, belastend en kwetsbaar is. Dat is het wèl wanneer wij de sexualiteit in andere activiteiten trachten te sublimeren. Naar mijn mening moet de priester niet trachten de sexualiteit op een andere wijze te verwerkelijken. Hij moet ze eenvoudig niet verwerkelijken.”

Dat was harde taal voor die priesters die in die tijd dachten dat ze zich wel een erotisch experiment konden veroorloven. In zijn omgang met de vrouw blijft de priester steeds een celibatair, waarschuwt Van Munster. „Het enige waarvoor de opleiding kan zorgen is, dat het celibaat niet verwordt tot isolement en angstige afkeer.”

En de omgang met de man? Het woord homoseksualiteit komt in het hele referaat van Van Munster niet voor.

Vele katholieke kerken zijn sinds het verschijnen van dit boek gesloten – net als nu die boekenantiquariaten. De tijd snijdt.