Burgemeester, ver na de oorlog

Vorige week vrijdag verbood de Zutphense kortgedingrechter in een opvallend vonnis de burgemeester van Bronckhorst om ook Duitse soldaten te betrekken bij Dodenherdenking op de begraafplaats van Vorden. Gisteren kondigde de winnaar van het geding, Federatief Joods Nederland, aan álle 4-meiherdenkingen in Nederland langs deze nieuwe meetlat te gaan leggen. De strijd om een ‘zuivere’ Dodenherdenking is een nieuwe fase ingegaan.

Dat vraagt om een nadere beschouwing van het rechterlijk oordeel. Maar wellicht ook van de eisende partij, die zich nu aangemoedigd voelt. ‘Federatief Joods Nederland’ is een initiatief van een Amsterdamse advocaat. Eerder werd FJN bekend doordat het (tevergeefs) aangifte deed tegen Gretta Duisenberg – zij zou zich antisemitisch hebben uitgelaten. Het begrip ‘federatief’ moet met een korrel zout worden genomen: deelnemers aan die ‘federatie’ zijn onbekend. Dit is een initiatief van één betrokken burger. Desondanks achtte de rechter de FJN juridisch voldoende belanghebbend om de belangen van Joods Nederland in rechte te mogen vertegenwoordigen. Intussen is de trend echter, vooral in het bestuursrecht, om juist scherper te kijken naar representativiteit. Bij de Raad van State zijn belangenclubs die als enige feitelijke werkzaamheid procederen hebben, vooral in milieuzaken, niet meer per definitie welkom.

Deze horde nam FJN in Zutphen echter met gemak. Net als alle volgende. De kortgedingrechter toonde in zijn uitspraak te weinig begrip voor de vrijheid die een burgemeester toekomt een eigen bestuurlijke afweging te mogen maken. De beslissing van de burgemeester om na afloop van Dodenherdenking op verzoek van het organiserend Comité mee te wandelen naar de graven van een aantal omgekomen Wehrmachtsoldaten, werd zelfs als juridisch onrechtmatig beoordeeld. Daarbij was de enige maatstaf de vraag of zo’n herdenking „passend” is, dan wel „kwetsend” jegens Joodse nabestaanden van oorlogsslachtoffers. Zo werd de burgemeester alle ruimte ontnomen om zich te verantwoorden bij de gemeenteraad, die daar toch echt eerder over gaat dan de rechter.

De vraag mag gesteld worden of de rechter zijn competentie hier niet te buiten ging. Het lijkt er op dat een betrokken burger een even betrokken rechter trof, die het samen roerend eens bleken. Zijn motivering leest meer als een ingezonden brief in de(ze) krant dan als een genuanceerde rechterlijke afweging. Ook werd ‘kwetsen’ als bron van onrechtmatigheid erkend en dus als veroorzaker van schade, namelijk verdriet.

Dat is in de context van de Holocaust te begrijpen. Daarbinnen is voor alles begrip. Maar voor een vrije omgang tussen burgers is een verbod op kwetsen geen begaanbare weg. Herdenken moet vooral overgelaten worden aan plaatselijke comités en lokale overheden.