Brieven over 4 mei

Wij worden weer gezien als monopoliserend kwaad

Ik heb mij actief beziggehouden met de herdenkingen. Zo heb ik geprobeerd het gedicht van Auke de Leeuw tegen te houden. Ook heb ik contact gehad met de burgemeester van Vorden, om te voorkomen dat officiële instanties langs de graven van Duitse soldaten zouden lopen.

Dat het Nationaal Comité 4 en 5 mei en de gemeente Bronckhorst proberen de herdenking te monopoliseren, door haar te veralgemeniseren naar een inhoudloos herdenken van alle doden in alle oorlogen, neemt de essentie van deze herdenking weg. Er zijn legio andere momenten om een gebaar te maken naar de tegenwoordige Duitsers. Zij zijn inderdaad onze vrienden.

Mijn, zoals Ewoud Sanders (Opinie, 7 mei) haar noemt, ‘splinter’-gemeente – de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam, met zo’n duizend families – heeft kort geleden de Duitse ambassadeur op bezoek gehad. Dit deden wij niet op 4 mei. Dat combineer je niet met elkaar.

Het is inderdaad onvoorstelbaar dat een rechter heeft moeten ingrijpen. Men had het zelf moeten bedenken. Daarbij vertegenwoordigt Federatief Joods Nederland, dat inderdaad uitermate klein is, mij helemaal niet. Het is ook kinderachtig en nodeloos kwetsend dat er een vliegtuigje heeft gevlogen met de tekst „Vorden is fout!”.

Sanders schrijft dat 4 mei een „nationale” herdenking moet zijn en geen „Jodenherdenking”. Ik lees hierin dat Duitse militairen en een Nederlandse SS’ers kennelijk wel binnen onze herdenking passen, maar Nederlandse Joden niet. Voor hen bestaat een aparte herdenking, de Jom Hasjoa. Deze moeten Joden zelf organiseren. Wij worden weer gezien als monopoliserend kwaad, hoewel de anderen kennelijk wel mogen monopoliseren. Wat ben ik blij dat ik mijn doden tijdens Jom Hasjoa kan herdenken, of op 4 mei in de Hollandsche Schouwburg. Ik heb de Nederlandse 4 mei helemaal niet meer nodig, mede dankzij uw opiniestuk.

Rabbijn Menno ten Brink

Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam

Waar halen die organisaties het lef vandaan?

Ik ben geboren in 1949, uit een vader die in de oorlog ‘goed’, maar geen verzetsheld was en een moeder die ‘een beetje fout’ was, geen verraad heeft gepleegd, maar wel begrip had voor aspecten van het nationaal-socialisme. Deze situatie leidde elk jaar tussen 4 en 14 mei tot emoties en spanningen. Dit heeft invloed gehad op mijn vorming. Ik mag me daarom officieel tweedegeneratieoorlogsslachtoffer noemen als ik dat wil, zoals nu even.

Ik heb mij in hoge mate geërgerd aan het optreden van bepaalde Joodse groeperingen rond de dodenherdenking in Vorden dit jaar. Oud-politicus Pieter Winsemius merkte terecht op dat het niet verstandig is om Duitse militairen te herdenken zolang er nog mensen in leven zijn die de Duitse bezetting bewust hebben meegemaakt. Als de gemeente Vorden dit op zeer bescheiden wijze wenst te doen, is het de keuze van die gemeente. Wie het daar niet mee eens is, mag dat uiteraard zeggen – op een gepaste en beschaafde wijze.

Waar haalden die Joodse organisaties het recht vandaan om te dicteren op welke wijze de rest van Nederland zijn doden herdenkt? Wat bezielde die rechter die de plaatselijke overheid verbood een bepaalde route te bewandelen? Hoe diep ben je gezonken als je een vliegtuigje huurt om op 4 mei een groep Nederlanders ‘fout’ te verklaren?

Ik herdenk elk jaar bewust de doden en denk hierbij zeker aan de vele Joodse slachtoffers, maar dit jaar kon ik de gedachte niet verdrijven: is dit nu de vrijheid waarvan wij elk jaar begin mei de mond vol hebben ?

Dirk Eveleens Maarse

Arnhem