Bezuinigen moet in een klein en open land

Nederland deint mee op de golven van de wereldhandel dus een bestedingsimpuls leidt niet tot duurzame groei, maar lekt weg naar het buitenland. Het Kunduzakkoord is wel een goede aanzet, vindt Sweder van Wijnbergen.

Dat de Catshuissessie überhaupt nodig was, gaf al aan dat het mis zou lopen. De groeivertraging in Europa was al halverwege 2011 zichtbaar, wachten op de CPB-berekeningen was uitstel van executie. Toen uitstel echt niet meer kon, eindigde de zeven weken durende schertsvertoning met een eclatante mislukking. De grote verrassing kwam daarna. PVV-leider Wilders eruit en minister de Jager (CDA) erin bleek een dramatisch effect te hebben op de effectiviteit van het onderhandelingsteam: wat in zeven weken niet lukte, werd in twee dagen geregeld, mede dankzij een constructieve houding van D66, GroenLinks en de ChristenUnie.

Het Catshuisteam kwam niet verder dan belastingen verhogen, maar de Kunduzgroep heeft een aantal hervormingen geïnitieerd en een onaangename discussie met Brussel vermeden door met bezuinigingen van 1,5 procent van het bruto nationaal product de 3-procentsnorm te halen. Natuurlijk heeft zo’n precies getal een element van willekeur: Nederland valt echt geen afgrond in als het tekort volgend jaar 3,5 procent wordt. Maar dat argument werkt ook omgekeerd: als je met 3,5 procent overheidstekort in 2013 de economie niet ‘kapot bezuinigt’, doe je dat met 3 procent evenmin.

PvdA-leider Samsom wees het pakket af: oneerlijk en slecht voor de economie. Waarom links begrotingsdiscipline asociaal vindt (omdat dan de burger ‘de klos is’), blijft een raadsel. Als de overheid haar uitgaven eenmaal gedaan heeft, is de burger altijd de klos, wie anders zou ervoor op moeten draaien? Structurele overheidstekorten betekenen dat men wel van overheidsdiensten wil genieten, maar de betaling doorschuift naar jongere generaties.

Een tweede punt waar SP, PVV en PvdA elkaar vinden, is verzet tegen ‘de economie kapot bezuinigen’. Daarmee zijn ze in goed gezelschap van de hoofdeconoom van het IMF, Blanchard, die Europa steeds aanmaant minder te bezuinigen. Dit is niet een kwestie van ideologie, de meeste moderne economen zijn het met Blanchard eens. Maar hij richt zijn boodschap aan de wereld als geheel, en/of aan grote, relatief gesloten economieën, zoals de Verenigde Staten of de eurozone als groep. Die boodschap klakkeloos doorvertalen naar een kleine, open economie is op zijn minst dubieus.

Nederland is een extreem open economie die meedeint op de golven van de wereldhandel; bijna 70 procent van ons nationaal product is gerelateerd aan die wereldhandel via directe of indirecte exporten. Meer dan 60 procent van de particuliere consumptie bestaat uit ingevoerde goederen. Dat wordt nog extremer voor de meest conjunctuurgevoelige component van consumptie, duurzame goederen (auto’s, wasmachines et cetera), want die maken wij nauwelijks in Nederland, daar is de invoercomponent dus 100 procent, minus een beetje distributie in de toegevoegde waarde. Dat betekent dat de bestedingsimpuls van onze overheidsuitgaven grotendeels weglekt naar het buitenland.

Voeg daarbij negatieve kapitaalmarktreacties op oplopende tekorten in landen met hoge overheidsschulden, of, belangrijker, een snel stijgende overheidsschuld, en dan dreigt zelfs de mogelijkheid van een negatief bestedingseffect: stimuleren via met tekorten gefinancierde overheidsuitgaven kan in kleine economieën met een snel stijgende schuld zelfs negatief uitpakken. Dan is er geen sterk uitverdieneffect van bezuinigingen en is de zorg over ‘kapot bezuinigen’ overdreven. Dat de dreiging van een kapitaalmarktreactie echt is, kunnen we nu al zien aan het renteverschil met Duitsland, dat hoger is dan ooit sinds begin jaren tachtig. Voor een groot land als Duitsland ligt dat anders. Juist Duitsland heeft, mede dankzij discipline in het verleden, nu praktisch geen overheidstekort en kan zich een losser beleid veroorloven. Duitsland kan wel meer de motor van de Europese economie spelen dan het nu doet.

Het Kunduzakkoord is niet ideaal, maar vergeleken met het Catshuisakkoord een flinke stap voorwaarts. Een aantal venijnige antisociale stappen van het vorige kabinet worden teruggedraaid (de sociale werkplaatsen en onderwijs voor gehandicapte kinderen worden niet bij het oud vuil gezet); en op het gebied van wonen, milieu en vergrijzing worden tenminste hervormingen geïnitieerd. Natuurlijk is meer mogelijk: het sneller afbouwen van ‘rode diesel’-subsidies, of het ook voor bestaande hypotheken gradueel versoberen van belastingvoordelen. Door die laatste optie op hogere inkomens of duurdere huizen te concentreren, haal je ook de angel uit het ‘oneerlijk’-protest. Dan er is ook minder btw-verhoging nodig.

Btw-verhogingen zijn populair in Den Haag vanwege de mantra ‘belasting verschuiven van arbeid naar consumptie’. Maar consumenten kiezen niet tussen arbeid of consumptie, het is en-en: als je meer wil consumeren moet je meer werken om ervoor te kunnen betalen. Dus de één belasten, ontmoedigt ook de ander. Consumenten kiezen tussen vrije tijd en consumptie, en de relatieve prijs daarvan is het reële loon; of dat verlaagd wordt door meer in te houden (loonbelasting) of doordat wat je koopt duurder wordt (btw-verhoging), maakt niets uit.

De Europese Unie wil nu meer nadruk op een groeiagenda, maar daar passen bezuinigingen mits ingebed in hervormingspakketten juist goed in. Overheidstekorten jagen hoogstens de vraag aan, niet de productiecapaciteit van de economie, en dat laatste is nodig voor duurzame groei. Sterker, groei van productiecapaciteit (‘verdienvermogen’) vereist hogere private investeringen, en daar is een stabiel investeringsklimaat voor nodig. Maar grote overheidstekorten zijn een duidelijk signaal van toekomstige veranderingen, ooit zal er iets aan moeten gebeuren; en zo’n signaal van toekomstige, maar nog niet ingevulde maatregelen is juist schadelijk voor dat stabiele investeringsklimaat en schaadt zo duurzame groei. ‘Kunduz’ had ambitieuzer gekund, maar is een stap in de goede richting.

Sweder van Wijnbergen is hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam.