Van Chinese komaf maar toch te kritisch

China stelt zich de laatste maanden weer harder op jegens de buitenlandse pers. Melissa Chan werd er het eerste slachtoffer van.

Voor het eerst in 17 jaar heeft China gisteren een buitenlands correspondent gedwongen het land te verlaten uit onvrede met diens berichtgeving. Dat lot trof Melissa Chan, een Amerikaanse van Chinese afkomst die sinds 2006 voor de Arabische nieuwszender Al Jazeera in Peking werkte.

Het Chinese besluit „lijkt China’s tegen de media gerichte beleid naar een hoger niveau” te tillen, aldus Bob Dietz, de Azië-coördinator van het Committee to Protect Journalists in een schriftelijke verklaring. Het Committee is een onafhankelijke organisatie die zich inzet voor de persvrijheid in de wereld.

Chans journalistenvisum was verlopen en werd niet verlengd door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Al Jazeera kreeg bij onderhandelingen de laatste weken geen toestemming haar te vervangen. Inmiddels is Chan vertrokken en is het Engelstalige bureau van de zender dicht.

De Chinese autoriteiten hebben geen andere verklaring gegeven dan dat Chan en daarmee Al Jazeera zich schuldig hadden gemaakt aan overtredingen van de wet. Chan, die sinds 2006 in China werkte, maakte voor Al Jazeera reportages over de zogeheten ‘zwarte gevangenissen’, waarin veel critici van het regime worden opgesloten, over dissident Liu Xiaobo, de families van schoolkinderen die omkwamen bij de aardbeving in Sichuan en over de recente golf Tibetaanse zelfverbrandingen.

Volgens de Vereniging van Buitenlandse Correspondenten in Chinawaren de Chinese autoriteiten echter vooral ontstemd over een documentaire die Al Jazeera in november uitzond over plegers van kleine misdaden. Die worden dikwijls in werkkampen opgesloten. Melissa Chan zelf was bij die documentaire evenwel in het geheel niet betrokken geweest.

Volgens de buitenlandse persclub past de de facto uitwijzing van Chan en de sluiting van Al Jazeera in een „recent patroon, waarin gepoogd wordt journalisten te intimideren en te censureren door te dreigen met het intrekken van hun visa’’.

Afgelopen weekeinde nog werden twaalf correspondenten bij de autoriteiten ontboden. Ze kregen te horen dat ze het risico liepen geen verlenging van hun visum te krijgen als ze zouden doorgaan met hun kritische verslaggeving over de zaak van de blinde dissident Chen Guangcheng. Doordat Chen, die onder huisarrest stond, een goed heenkomen zocht in de Amerikaanse ambassade in Peking raakten zowel de Verenigde Staten als China in verlegenheid.

In de afgelopen twee jaar hebben 27 journalisten langer dan gebruikelijk moeten wachten op de verlenging van hun visa en kregen 28 journalisten geen toestemming om in China te werken.

China investeert jaarlijks miljarden euro’s aan de marketing van China in de wereld, investeringen die naar het gevoel van de Chinese autoriteiten ondermijnd worden door de kritische berichtgeving in de westerse en Japanse media.

De laatste keer dat een journalist China moest verlaten was in 1995 en betrof de Pekingse correspondent van het Duitse dagblad Frankfurter Rundschau.

Toen Al Jazeera in 2006 een vestiging in Peking opende en Chan naar de hoofdstad stuurde, zeiden de Chinese autoriteiten enthousiast te zijn over haar komst want zij hoopten dat zij vanwege haar etnisch Chinese afkomst positiever over China zou berichten dan westerse journalisten.