Sterfte kinderen St. Anna normaal

Er zijn geen aanwijzingen dat in het katholieke zwakzinnigeninstituut St. Anna in het Limburgse Heel begin jaren vijftig meisjes een onnatuurlijke dood zijn gestorven. Ook zijn de sterftecijfers in die jaren niet significant hoger.

Dat concludeert een commissie onder leiding van hoogleraar gezondheidsrecht Joep Hubben. Het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van de raad van bestuur van de Stichting Koraal Groep, waartoe St. Anna behoort. De raad van bestuur gaf vorig jaar opdracht tot het onderzoek, na berichten in de media dat in 1952, 1953 en 1954 veertig minderjarige gehandicapte meisjes van St. Anna zouden zijn overleden.

De berichten volgden op het nieuws dat het Openbaar Ministerie een onderzoek deed naar een verhoogd aantal sterfgevallen onder minderjarige gehandicapte jongens tussen 1952 en 1954 in zwakzinnigeninstituut St. Joseph in Heel. De kinderen zouden een niet-natuurlijke dood gestorven zijn. Dat onderzoek loopt nog.

De commissie-Hubben concludeert dat in St. Anna in geen van de onderzochte jaren het werkelijke sterftecijfer „statistisch significant afwijkt van het verwachte sterftecijfer”. In 1952 overleden negen cliënten, in 1953 zestien en in 1954 vijftien. De sterfgevallen waren telkens verspreid over het jaar.

Commissievoorzitter Hubben: „We hebben ook naar omliggende jaren gekeken, en naar meerderjarige cliënten. Maar ook daar zagen we geen afwijkingen. Zelfs de op het eerste gezicht wat verhoogde sterftecijfers onder meerderjarigen in 1953 en 1957 vallen binnen de marges.”

De medische informatie die over het merendeel van de overleden kinderen is aangetroffen, en de briefjes die de zusters na overlijden van de kinderen aan de ouders schreven, boden geen aanwijzing dat meisjes een niet-natuurlijke dood stierven. De kinderen overleden vooral aan infectieziekten, epileptische aanvallen en aangeboren aandoeningen. Dit beeld wordt volgens de commissie bevestigd door het onderzoek van de overlijdensverklaringen die destijds zijn afgegeven.

De commissie: „Alle gevallen van overlijden van kinderen in de periode 1952 tot en met 1954, over wie gegevens zijn aangetroffen, betreffen kinderen met een zeer ernstige lichamelijke en/of verstandelijke handicap. Het overgrote deel van deze kinderen is overleden vóór het tiende levensjaar. Dit gegeven is conform de levensverwachting die kinderen met ernstige lichamelijke of verstandelijke handicaps hadden in de jaren vijftig van de vorige eeuw.”