Op de maan ga je vanzelf zingen

De twaalfde en (tot nu toe) laatste man op de maan is even in Nederland. Eugene Cernan vertelt nog steeds graag over die maanwandeling.

„Wat kan ik voor u doen?”, vraagt Gene Cernan nadrukkelijk bescheiden. Alsof hij niet al bijna veertig jaar lang over hetzelfde moet vertellen: zijn drie dagen in de Taurus-Littrow-vallei op de maan, als commandant van Apollo 17, de laatste bemande maanmissie, in december 1972.

Maar Eugene ‘Geno’ Cernan (1934), de twaalfde en laatste man op de maan, doet het graag: waar voorgangers in een zwart gat vielen, aan de drank raakten of de publiciteit meden, is Cernan altijd een gretige prater en pleitbezorger van de bemande ruimtevaart gebleven. „Is het uur alweer voorbij?”, zegt hij na het interview verbaasd.

Als gezicht voor de nieuwe reclamecampagne voor advies- en accountancybureau Deloitte is hij even in Nederland. De veteraan van drie ruimtemissies (Gemini 9A in 1966, Apollo 10 in 1968 en dus Apollo 17) staat op eigen initiatief de pers te woord in een hotelvergaderzaal met uitzicht op de bouwput van station Rotterdam Centraal.

Zelfs met zijn 78 jaar beantwoordt Cernan ruimschoots aan het beeld van de macho-astronaut: joviaal, meer dan zelfverzekerd, voorzien van witte haardos en priemende blauwe ogen. Kort van stuk, slank en kaarsrecht in de houding. En nog altijd bevlogen: in 2010 getuigde Cernan voor een Amerikaanse Senaatscommissie nog fel tegen Barack Obama’s afgelasten van de terugkeer van NASA naar de maan en Mars, in zijn ogen de doodsteek voor de Amerikaanse voorsprong in de ruimte.

Vertelt u nog eens hoe het was om op de maan aan te komen.

„De landing was het uitdagendste kwartier van mijn leven, en daarna was ineens alles heel stil: de herrie en de trillingen waren weg, het stof was neergezakt, niemand praatte meer, je bent voor het eerst even niet enorm druk bezig.

„Dan kijk je uit het raam, en dan dringt het ineens tot je door dat je bent waar geen mens is geweest, dat die bergen waar je tegenaan kijkt nog nooit door iemand gezien zijn. Dat was een schok. De aarde hing vlak boven de horizon, als een grote driedimensionale bal in het zwart, alsof je hem zo zou kunnen pakken.”

Onder grote druk van de wetenschappelijke wereld was er voor het eerst een niet-testpiloot mee: maangeoloog Harrison ‘Jack’ Schmitt.

„Daar waren we als testpiloten niet enthousiast over: we vonden het gevaarlijk en we vonden ook dat wij slim genoeg waren om getraind te worden als geologen. Maar Jack heeft zich wel bewezen, ook als astronaut. Achteraf gezien was het de juiste beslissing. Hij vond oranje gesteente op de maan, wat wijst op oxidatie en daarmee de aanwezigheid van hete vulkanische gassen. Ik denk dat wij als koppel van alle missies wetenschappelijk het meest succesvol waren. Een robot kan veel, maar niet waarnemen en ter plekke beslissen en improviseren, zoals wij deden.”

En het hupsen, de nep-skisprongen en het zingen?

„Haha, je hersenen komen er al snel achter dat het geen zin heeft om te lopen. Je springt en hupst vanzelf. En het zingen...” Hij zingt: „...walking on the moon one day... dat ging ook vanzelf. We hadden gewoon lol samen.”

Wat dacht u toen u terugklom in de maanlander?

„Ik dacht: binnen een jaar of tien zijn we wel terug en tegen 2000 zijn we op Mars. Boy, ben ik teleurgesteld. JFK zou zich omdraaien in zijn graf. We hebben niet eens de capaciteit om mensen, zoals die astronaut van jullie, naar het Internationaal Ruimtestation te brengen. Onacceptabel.”

Maar NASA werkt nu toch aan de SLS-raket, die astronauten voorbij een baan om de aarde moet brengen?

„Ja, maar die heeft geen officieel doel. Het is een mission to nowhere. Er wordt gepraat over asteroïden en Mars, maar dat is alleen gepraat. Ik denk dat de Chinezen eerder teruggaan naar de maan. Die hebben wel door dat de ruimte de high ground is: economisch, diplomatiek, technologisch.”

Maar ook duur.

„Wat we vanaf de jaren zestig tot nu aan ruimtevaart hebben uitgegeven, valt in het niet bij de bailouts van de laatste drie jaar. En het geld is niet weggegooid, het heeft technologie-ontwikkeling gestimuleerd. In deze iPhone” – hij pakt de smartphone op waarmee het interview wordt opgenomen – „zit meer technologie dan in onze hele Saturn 5-raket. Ik krijg mensen van dertig, veertig die me bedanken, die geïnspireerd waren en dokter zijn geworden, of ingenieur. Ook u bent duidelijk geïnspireerd door wat wij toen gedaan hebben.”

Klopt het dat u de initialen van uw dochter in de maanbodem hebt geschreven?

„Jazeker: TDC, Teresa Dawn Cernan. Ze staan er nu nog, daarboven, bij de laatste voetsporen.”