Het populistische monster is verslagen! (nou, niet dus)

Wilders is uitgespeeld. Alles is weer bij het oude, we zijn weer onder elkaar. Toch? Net als in 2002 denkt de elite onterecht dat het populisme is verdwenen.

Hoogleraar financiële geografie

We hebben de laatste weken veel herdacht, stilgestaan bij en teruggekeken op. Geen zichzelf respecterende krant, tijdschriftredactie, actualiteitenrubriek of talkshow heeft de kans voorbij laten gaan om met nieuwe en oude getuigen na te gaan wat nu de gevolgen, lessen, waarschuwingen van opkomst en einde van Pim Fortuyn zijn geweest. En terecht.

Maar tientallen pagina’s en honderden minuten herdenking verder, blijf ik toch met een nare smaak in mijn mond zitten. Want hoe je ook over Fortuyn denkt of dacht, of je nou Fortuynist van het eerste uur, meeloper van het tweede uur of consequente criticaster bent (zoals ik), het is wel erg opvallend hoezeer de controverse die bij leven om Fortuyn heen hing (‘waar Fortuyn is, is ruzie’), is omgeslagen in een vrijwel unanieme lofzang in pastorale toonzetting.

De man van de sardonische lach, de grote gebaren, de vileine sneren, de wilde uithalen, de man die nimmer schroomde om man en paard te noemen, de man met de gezworen vijanden, wordt ineens door de hele politieke goegemeente – van politicus tot commentator, van academicus tot journalist – op handen gedragen als was hij de uitvinder en beschermheilige van De Nieuwe Politiek. Samsom, Blok, Scheffer en Van Haersma Buma in NRC Handelsblad; Bos, Sommer en Klok in de Volkskrant: (ik parafraseer) een profeet, een ziener, een icarus, doorbrak de politiek correcte deken van het multiculturalisme, maakte duidelijk waar het in democratie om gaat: passie geen technocratie, trapte de deuren van de achterkamertjes open, maakte het onbespreekbare bespreekbaar, enzovoorts. Anno 2012 zijn we plotseling allemaal Fortuynisten. En dan gaan bij mij de alarmbellen rinkelen.

Leg dit maar eens naast de schrille duivelsuitdrijverij van eind 2001, begin 2002. NRC Handelsblad kopte dat Fortuyn het monster was dat Kok had gebaard; in De Groene Amsterdammer schreef Geert Mak over ‘ringen van vuur’ die rond de morele principes van vrijheid, gelijkheid en broederschap moesten worden aangelegd; om maar te zwijgen van de vele Godwins die in die maanden van hoog tot laag werden begaan.

Het leek potdomme wel alsof onze rechtsstaat op wankelen stond en onze democratische instituties in hun voortbestaan werden bedreigd. Met de kennis van nu is dit op zijn best een potsierlijke overdrijving en op zijn slechtst loepzuivere paniek met dramatische afloop. Want het exorcisme van Mak en consorten voedde wel degelijk een politiek klimaat dat een aanslag door een gek mogelijk maakte; waarmee ik uiteraard niet wil beweren dat zij medeschuldig zijn aan de moord op Fortuyn.

Het is op zijn minst opmerkelijk dat in de vele herdenkingspagina’s en -minuten niemand heeft gewezen op de diepe kloof tussen de felle veroordelingen van toen en de milde beoordelingen van nu. Want het is van tweeën een: of je had het toen bij het juiste eind en vindt dat nu nog steeds (zoals Jolande Sap in NRC) of je had het toen mis en bent nu tot andere bevindingen gekomen – voortschrijdend inzicht, heet dat dan. Maar in dat geval is een spijtbetuiging wel het minste of dan toch zeker een grootmoedige erkenning van andermans gelijk.

Ik moet bekennen dat ik daar op al die pagina’s en in al die minuten weinig van heb teruggevonden. Niet van spijt, noch van grootmoedige erkenning van eigen ongelijk. De bewondering gaat vooral uit naar de stijl, de passie en de politiek van Fortuyn, nauwelijks naar de inhoud van zijn analyses, diagnoses en voorstellen. Alleen de sociaal-democraten zijn bij monde van Bos en Cuperus weifelend bereid hun schatplichtigheid aan Fortuyn te belijden als het gaat om integratie- en immigratiebeleid.

Dat suggereert dat er iets anders aan de hand is, iets wat in mijn ogen al decennia de Nederlandse politieke elite kenmerkt: namelijk een opmerkelijke ideologische lenigheid die strategisch ten dienste staat van het behoud van machtsposities. Om De Lampedusa te parafraseren: alles moet ideologisch anders, opdat alles qua machtspolitiek hetzelfde blijft.

In zijn prachtige Nieuw Babylon in Aanbouw: Nederland in de Jaren Zestig onderzoekt de Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy het tempo van de culturele modernisering van Nederland. Anders dan in ons omringende landen waar de studenten van de protestgeneratie hard botsten met de naoorlogse politiek elite, kwam het initiatief voor modernisering in Nederland al snel bij de regenten zelf te liggen. Via culturele osmose, een bewust beleid van ‘reagerend meebewegen’ en gerichte coöptatie en leiderschapswisseling werd de agenda van de protestgeneratie geïnternaliseerd en het protest onschadelijk gemaakt. Accommodatie heet dat met een duur woord.

Dit lijkt zich sinds 2002 ook met de erfenis van Fortuyn te hebben voorgedaan. Ga maar na: Melkert, Van Nieuwenhoven, Van Boxtel, De Graaff, Rosenmöller, Dijkstal – ze hebben na de moord op Fortuyn de een na de ander het veld geruimd. Oude politiek kon zo – zonder bijltjesdagen – in alle Paarsige partijen nieuwe politiek worden: Bos, Pechtold, Rutte dank(t)en er hun politieke carrières aan.

Ook culturele osmose heeft een rol gespeeld. De felgekleurde politisering waarmee de opkomst van Fortuyn gepaard ging, is na zijn dood gebleven: in het parlement, op de krantenpagina’s, op radio en tv, in de kroeg en vooral op internet. De politieke cultuur veranderde van een technocratisch schaakspel voor gevorderden in gepassioneerd politiek theater voor beginners – met alle voor- en nadelen van dien.

Inhoudelijk kwam de accommodatie neer op accentverschillen, niet op revolutionaire doorbraken. De integratie- en immigratieparagrafen van de verkiezingsprogramma’s van de PvdA bijvoorbeeld stonden voor 2002 weliswaar in een multiculturele sleutel, maar bevatten voldoende beperkende en verplichtende ingrediënten om zonder problemen als grondstof te kunnen dienen voor een restrictiever beleid: ‘ja mits’ werd stomweg ‘nee tenzij’.

En wat ‘reagerend meebewegen’ betreft, daarvan hebben we de afgelopen twee jaar een fraai staaltje gezien: de minderheidscoalitie van VVD en CDA die via het gedoogakkoord de PVV medeverantwoordelijk maakte voor regeringsbeleid in de hoop dat de scherpe kantjes zouden gaan. Wat uitdrukkelijk was bedoeld als accommodatiestrategie is, zoals u weet, in het gezicht van de coalitiepartijen ontploft.

En net als in 2002 blijkt de ideologische lenigheid van de politieke elite groot. En net als in 2002 gaat er een generatie van politici met pensioen om een bijltjesdag te voorkomen. Maar anders dan in 2002 – toen zelftwijfel de boventoon voerde en een zoektocht naar de wortels van de electorale afstraffingen in gang zette (‘de kaasstolp aan diggelen’) – wentelt de politieke goegemeente zich ditmaal in de zelfgenoegzame illusie dat de rol van Wilders is uitgespeeld. Genoeg geaccommodeerd! Het populistische monster is overwonnen! Leve de terugkeer van de normale politiek!

Dacht het niet…