Geen weg, wel water

Iquitos is ’s werelds grootste stad die niet over de weg te bereiken is. Het alternatief: dagen varen over de Amazone.

Maite Vermeulen

Breder en breder wordt het water. Een plein, een voetbalveld, een zee zo breed. „Encontra el Rio Amazon!”, roept de kapitein naar me – een brede, tandeloze lach op zijn gezicht. Het is dag drie op de Peruaanse boot en eindelijk varen we dan op de rivier der rivieren: de Amazone. Niet dat het verschil met de Rio Marañon te merken is: het water is net zo bruin, de lucht net zo heet en de begroeiing net zo groen. Maar toch. Dit is dé Amazone.

Al twee dagen zien we niets anders dan bomen, bruin rivierwater en af en toe een houten hutje op de oever. Soms leggen we aan bij piepkleine dorpjes en worden bananen, meubels en zwangere vrouwen aan boord geladen. Maar meestal varen we door – kinderen rennen in de verte op de oever door het bos, zwaaien.

Het is moeilijk te geloven dat bij de volgende zonsopgang een stad zal opdoemen ter grootte van Utrecht. Iquitos. Ruim 400.000 inwoners, gesticht in 1750 door Spaanse Jezuïeten en groot geworden door de rubberhandel, onder de legendarische rubberbaron Carlos Fitzcarrald. Iquitos is de grootste stad op aarde die niet over de weg te bereiken is. Vanaf de Peruaanse hoofdstad Lima vlieg je er in minder dan een uur heen. Met de boot vanuit de dichtstbijzijnde haven die wel met de weg te bereiken is, Yurimaguas, kost de trip drie tot vijf dagen, afhankelijk van de waterstand, de maan en de bewolking. Geen wonder dus dat de meeste toeristen voor het vliegtuig kiezen.

Maar wij kwamen twee dagen terug, nat van het zweet, aan in Yurimaguas. Blij dat we nog leefden na een 12 uur durende busrit met een chauffeur die bij de lunch twee liter bier naar binnen goot. Op zoek naar een boot.

In de haven bleek een roestig vrachtschip te liggen dat ook passagiers meenam. Als we zelf een hangmat kochten op de markt mochten we mee aan boord. Maar wel vlot een beetje, want om 2 uur vertrok de schuit!

Met onze backpacks klosten we over de drukke markt, op zoek naar een hangmat – berustend in het afgezet worden. Wat hebben we nog meer nodig op een boot? Rum! Alcohol! Waar kunnen we dat krijgen? In die tienda daar, senorita. De verkoper in de winkel tovert een flesje schoonmaakalcohol boven de toonbank. „Nee, sorry, we bedoelen alcohol om te drinken.” De winkelier kijkt ons verbaasd aan. „Ja. Gewoon wat water erbij doen.” Dit is de drank van de armen.

De hitte zoemt in onze oren als we ons terug haasten naar de boot. We knopen onze hangmatten vast op het bovendek – zo ver mogelijk weg van het ronken en stinken van de motor. Beneden hangen de arme Peruanen, die voor familiebezoek of inkopen de tocht maken. Wij liggen tussen Peruaanse toeristen, die het net als wij voor de lol doen.

Het uur van vertrek breekt aan.

Maar op de kade werken de mannen met blote bovenlijven stug door. Zakken rijst worden op ruggen getild. Bossen platanos over schouders gegooid. Bankstellen door zes paar gespierde armen aan boord getild. En wij liggen in onze hangmatten. Een attractie voor onze medereizigers: blond en slungelig, de enige gringos. Vijf uur na de geplande vertrektijd gaan de trossen los.

En dan varen we plots – en is er geen ontkomen meer aan. De boot is de wereld. De verzengende hitte overdag, de vuistgrote insecten die ’s nachts massaal het licht aan dek weten te vinden. We zoeken verkoeling in de wind langszij, de smerige kleren tegen het lijf geplakt. Ontbijt met dezelfde kleur als de rivier, maar met de smaak van anijs en kaneel. In het kombuis kwakjes rijst en bonen halen (vegetarisch, daar heeft de scheepskok nog nooit van gehoord). Kilometers regenwoud trekken voorbij met de kronkels van de rivier.

De tijd wordt door ons gedood met lezen, kaarten, dagboekschrijven. Door de Peruanen voornamelijk met slapen en hangen. ’s Avonds proberen we ons kaartspelletje in het licht benedendeks voort te zetten, maar de ruimte is zo vol van zweetlucht, babygehuil en het dreunen van de motor dat we snel opgeven. Tientallen zwarte ogen kijken ons na over de gekleurde randen van hangmatten.

’s Nachts is het volle maan en kan de kapitein op volle snelheid door varen. De tocht gaat dus vlot. En bij de derde zonsopgang zijn we er al: Iquitos. Net zo scherp als de overgang van bruin naar zwart water in de haven van de stad is het contrast tussen de kalme boottocht en de drukke stad. Auto’s zijn te duur en zwaar om naar de Amazonestad te verschepen en dus verplaatsen de inwoners van Iquitos zich uitsluitend op scooters en motortaxi’s. Het lawaai is oorverdovend – de lucht weinig meer dan puur uitlaatgas. En ineens duiken ze weer op: andere rugzaktoeristen. Die wel het vliegtuig hebben genomen.

Iquitos is tegenwoordig een belangrijke handelsplaats voor tropisch hardhout en heeft een grote rum-, bier- en olieindustrie. En ook de drugshandel weet de chaotische havenstad te vinden. Een marktkoopman vertelt me dat vorige week een boot, zo één waar wij mee gekomen zijn, vlak na vertrek uit de haven gezonken is. Er zijn al 25 lijken gevonden en 90 mensen worden nog vermist, onder wie veel kinderen. De autoriteiten waren eerst traag met de reddingsactie, klaagt de man. Totdat duikers in de zakken sinaasappelen in het kombuis negen kilo cocaïne aantroffen.

Toch blijven veel Peruanen straatarm. Zo arm zelfs dat sommigen een stukje grond om een huis op te bouwen niet kunnen betalen. De oplossing voor ruim 7.000 mensen is de sloppenwijk Belén, in het oosten van Iquitos: de hutten zijn er op vlotten gebouwd, waardoor ze omhoog komen als het water stijgt. Sommige huizen drijven het hele jaar door. De rivier is de straat, het leven vindt plaats in bootjes. In het smerige water vol uitwerpselen wassen vrouwen hun kleding, hun pannen en hun baby’s. De modderhopen die boven het water uitkomen zijn bezaaid met afval waar gieren in rondpikken.

De puber die ons voor een klein bedrag rondvaart in zijn zelfgemaakte kano wijst ons zijn huis, niet groter dan tien vierkante meter, waar hij met zijn familie van acht personen woont. Er klinkt, zoals overal in Zuid-Amerika, muziek. Voor de drijvende school spelen kinderen in kano’s met een bal. De voetbaldoelen steken nauwelijks een meter boven het water uit.

Na een dag hebben we genoeg van de smog, het kabaal, de opdringerige jungletouroperators. En boeken we een vlucht naar Lima. De reis is immers belangrijker dan de bestemming.