De Bovenbazen

Heer Bommel en Tom Poes daalden intussen de heuvel af om langs een omweg slot Bommelstein weer te bereiken.

‘Het aardige is dat je het dan van alle kanten ziet,’ sprak de eerste.

‘Dat maakt het landschap mooier, wat jij, jonge vriend?’

‘Bah,’ gromde de heer Steinhacker, die de opgewekte stem met tegenzin hoorde naderen. ‘Wie is dat, Steenbreek? Heb je hem al gevonden?’

‘Hier heb ik het, meneer,’ zei de secretaris. ‘Bommelstein; eigendom van een zekere Olivier B. Bommel. Niet iemand van ons. Geen relatie. Deze Bommel is niemand.’

Zijn werkgever snoof hoorbaar.

‘Niemand,’ herhaalde hij gramstorig. ‘Wat is dat voor een niemand, die in een middeleeuwse steenklomp woont en het nog mooi vindt ook? Verdacht, Steenbreek! Héél verdacht!’

‘Héél verdacht, net als u zegt,’ gaf de ander toe. ‘Deze Bommel zou in het oog gehouden moeten worden…’

Heer Ollie, die juist passeerde, keek verrast op.

‘Wat is dat?’ vroeg hij, de pas inhoudend. ‘Wat zegt u?’

‘In het oog houden,’ verklaarde de secretaris. ‘Het is verdacht.’

Toen trok hij met een lichte schrik de oogleden een weinig op om heer Bommel aan te kunnen zien.

‘Pardon,’ hernam hij. ‘Ik richtte het woord tot aws, niet tot u.’

‘Dat kan me niet schelen!’ riep heer Bommel driftig. ‘Wat is er verdacht aan mij, wil ik weten!’

‘Wel, eh...’ stamelde de heer Steenbreek, ‘dat wonen in een eh... bouwval. aws vraagt zich af of u soms excentriek bent.’