Barbara van Beukering: ‘Eindeloos gekibbel over niets’

Wekelijks verklaart een sporter, wetenschapper, politicus of schrijver in de rubriek Boekdelen van de Boekenbijlage van NRC Handelsblad de liefde aan een boek. Deze week, in de literaire liefdesverklaring: Barbara van Beukering, hoofdredacteur van Het Parool, over J.J. Voskuils ‘De buurman’.

‘Het mooiste aan J.J. Voskuils De buurman is het voorwoord – niet langer dan tien regels, maar er gaat zoveel schuil in die twee alinea’s, ik heb ze wel twintig keer herlezen. Het is een pijnlijk en hilarisch begin. Lousje Voskuil-Haspers, weduwe van de auteur, vertelt waarom het boek nu pas verschijnt, tien jaar na afronding. De buurman is een autobiografisch verhaal over een huwelijk van doorlopend en eindeloos gekibbel over niets. Toen ik de roman uit had en ik haar woord vooraf opnieuw las, moest ik ontzettend lachen om wat ze zegt over het boek: ‘Ik las het en was niet zo enthousiast.’ Dat moet het understatement van de eeuw zijn.

„Het boek is een aaneensluitende illustratie van metacommunicatie; het fenomeen dat echtparen de hele tijd voor elkaar denken. Als ik dít zeg, ga jij natuurlijk dát zeggen. Je kijkt niet meer onbevangen naar elkaar, omdat je van alles invult voor de ander. Dat heeft Voskuil schitterend minutieus opgeschreven. Als hij geïrriteerd is verwijt zij hem dat hij schreeuwt. Dat verwijt maakt hem weer woedend, waarop zij hemt tegenwerpt dat zij toch zeker niet is begonnen. En ga zo maar door. Mijn exemplaar van De buurman draagt de sporen van een vakantie; de helft van de bladzijden wordt gekleurd door het blauwrood van een wijnvlek. Voor het eerst in twintig jaar was ik alleen met mijn man op vakantie, in Gambia. De eerste paar dagen kibbelden we voortdurend. Op de derde dag opende ik dit boek; het heeft de vakantie gered, meteen hield ik op met kissebissen.

„Het gekibbel herken ik. Kibbelen gaat over niks, dat is de reden dat het snel overgaat. Als je grote ruzies hebt, dan weet je waar het over gaat, over wezenlijke zaken. Maar kibbelen is: hoeveel fooi gaf je nou aan die Gambiaanse taxichauffeur? Tachtig Dalasi? Ja maar dat is veel te veel, dat verdienen ze op een hele dag. Schat, laat mij die chauffeur nou zoveel fooi geven, dat gun ik die aardige man. Ja maar je kunt toch niet elke aardige man in Gambia tachtig Dalasi geven. En voor je het weet verzand je in doelloos gekibbel.

„Onderwerp van de echtelijke ruzies in De buurman zijn de twee homoseksuele buren. Zij neemt het steevast voor hen op, ze vindt hen zielig. Hij daarentegen ziet de buren voor wat zij zijn: griezels. Een aanmerking op de buren, hoe gering of gerechtvaardigd dan ook, behandelt zij als een aanmerking op zichzelf – het is narcistisch. De slotparagraaf vat het prachtig samen. De banden van Maarten zijn lek gestoken, overduidelijk een actie van buurman Peer. Maar zij weigert dit te geloven en zegt: ‘Peer?’ Haar ongeloof balanceerde op de rand van verontwaardiging. ‘Dat verbeeld je je maar weer. Zoiets zou Peer nooit doen.’

Vooral die verontwaardiging is wonderbaarlijk, dat een situatie die buiten haar staat een aanleiding vormt boos op hem te zijn.

Ondanks het geruzie voel je aan alles dat die mensen toch van elkaar houden. Ze zijn heel zoet. Elke ochtend als hij naar zijn werk gaat kijkt hij vanaf de stoep voor hun huis naar boven en zwaait hij naar haar. Ze gedijen in hun rituelen: hun fietsvakanties, het borreltje om vijf uur, het feit dat ze samen hebben gekozen geen kinderen te nemen. Dat de weduwe van Voskuil over haar bezwaar van het blootgelegde ‘geruzie tussen hem en mij’ heen is gestapt en uit bewondering voor haar overleden man het boek alsnog heeft laten uitbrengen spreekt van grote liefde. Haar laatste woorden vooraf zijn een tedere en eenvoudige opdracht aan hem: ‘Het is natuurlijk een prachtig boek’.”

Toine Donk