Werkgelegenheidsgroei VS zorgelijk voor Obama

Barack Obama kan zich erop voorstaan dat sinds zijn komst naar het Witte Huis in januari 2009 de werkgelegenheid in de Amerikaanse particuliere sector is gestegen, maar niet bij de overheid. De vertraging van het tempo van de banengroei die uit de maandelijkse cijfers van afgelopen vrijdag blijkt en de afnemende arbeidsparticipatie kunnen ervoor zorgen dat het voor Obama nog een lastige klus wordt om bij de verkiezingen in november een positief verhaal te presenteren.

Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de werkgelegenheidscijfers van april beter zijn dan de stijging van 115.000 arbeidsplaatsen suggereert. Er kwamen nog eens 53.000 banen bij door herzieningen van de cijfers van februari en maart, en een daling van het werkloosheidscijfer naar 8,1 procent maakt het verhaal voor de president ook makkelijker. En omdat de overheid de afgelopen maand 15.000 arbeidsplaatsen heeft gesaneerd, was de winst in de particuliere sector relatief groter dan die van de totale werkgelegenheid. De feitelijke aanwas in de particuliere sector sinds Obama’s inauguratie drieënhalf jaar geleden staat nu zelfs 35.000 in de plus – wat als een soort mijlpaal mag worden beschouwd.

Er werken echter nog steeds 607.000 minder mensen bij de overheid (zowel op federaal, staats- als lokaal niveau) dan in januari 2009. Als het groeitempo van afgelopen maand de komende tijd aanhoudt, kan Obama tegen verkiezingstijd beweren dat de werkgelegenheid in zijn totaliteit naar een hoger niveau is getild dan toen hij aan begon als president. Zijn verhaal wordt echter ondermijnd door het feit dat de feitelijke banengroei zo traag verloopt dat uit een geactualiseerde berekening van Breaking Views blijkt dat het tot 2030 zou duren voordat in de Verenigde Staten volledige werkgelegenheid zou worden bereikt.

Bovendien is de arbeidsparticipatie, doordat het zo moeilijk is om aan een baan te komen, verder gedaald naar het laagste niveau sinds september 1981. De enige leeftijdscategorie die de komende jaren waarschijnlijk harder zal moeten werken is die van de 65-plussers. Politici zouden zich zorgen moeten maken over de afname van de arbeidsparticipatie van jongeren en van mensen uit de traditionele leeftijdsgroepen van de beroepsbevolking. Dit duidt op onthechting en mogelijke sociale problemen.

Deze ontwikkeling kan het iedere nieuwe president lastig maken, of hij nu Obama of Mitt Romney heet. Wie van deze twee in het Witte Huis terechtkomt, zal deels afhangen van de ontwikkelingen op het gebied van de economie en de werkgelegenheid de komende zes maanden, zowel in reële als ‘gevoelsmatige’ zin. Obama moet hopen dat de situatie op korte termijn een stuk zonniger aanzien zal krijgen.

Martin Hutchinson

Menno Grootveld