Waarom? Omdat ik het zeg

Naar de Nationale Dodenherdenking op de Dam in Amsterdam, hadden we dat ook eens meegemaakt. We volgden de massa. De mensen voor ons waren in discussie over ‘Vorden’, het dorp in de Achterhoek waar de burgemeester van de rechter niet langs de graven van tien Duitse Wehrmachtsoldaten mocht lopen. Een jongen zei dat goed goed was en fout fout. „Dat is gewoon zo.”

Ja, dan ben je uitgeluld.

Ter hoogte van de H&M stonden politiebusjes dwars over de straat geparkeerd. We wrongen ons door de smalle opening op de stoep, waar agenten bezoekers aanspraken. Dat was voor de veiligheid.

„Waar gaat u naar toe?”

- De Dam.

„U weet wat daar te doen is?”

- Dodenherdenking.

„Wat zit er in uw tas?

- Twee burrito’s, een taco en een salade van Taco Mundo.

„Prima.”

Waarom het prima was dat de vrouw voor me met een tas vol Mexicaans eten naar de dodenherdenking ging was me een raadsel, maar het leek me ook geen reden om haar tegen te houden. Een jongen met een fiets aan de hand werd wel gesommeerd om te draaien. Op de vraag ‘waarom?’ gaf een blonde agente het volgend antwoord: „Omdat ik het zeg, daarom.”

Ze doken er met drie man op.

Een agent met snor begon aan een opsomming van incidenten, die alles duidelijk maakte.

„Dodenherdenking twee jaar geleden…, Apeldoorn…, moet ik nog even doorgaan?”

De menigte begon bij de V&D, we zagen niets. Koningin Beatrix en prins Willem-Alexander legden een krans. Voor ons hielden honderden mensen hun smartphone in de lucht om de volgers op Twitter en Facebook adequaat te bedienen. Twee zussen, een met een volle shopper van Esprit tussen de benen, bekeken elkaars filmpjes. De koningin was in het zwart en zag er goed uit, dapper. En Willem-Alexander was te dik. „Maar dat wisten we al.”

Ik dacht dat het om acht uur begon, maar van de jongen voor ons mocht er vanaf tien voor acht niet meer gepraat worden. Hij keek tenminste heel gegriefd om toen een jongetje aan zijn vader vroeg of Nick en Simon ook kwamen.

De vader: „Helaas niet.”

We waren twee minuten stil.

„Keurig!”, zei de mevrouw met de Esprit-tas tussen de benen, op een toon alsof ze anders verwacht had. „Het is heel waardig verlopen allemaal. Gelukkig.”

Vervolgens begon ze aan een heel verhaal over de pijn in haar voet, dwars door het gedicht ‘De stilte spreekt’ dat de zestienjarige Charlotte Fontijne voordroeg. De overgrootvader van die Charlotte had in de oorlog dus in een gevangenis gezeten, het had haar fantasie geprikkeld. Heel erg allemaal, maar niet zo erg als artrose, want dat begon vaak als pijn in de voet.