Van Loy: ,,Elke keer als ik een boek schrijf, ben ik bang voor de reacties”

Jan van Loy/ Foto Rien Zilvold
Ook Vlaams auteur Jan van Loy (1964) staat op de shortlist van de Libris Literatuurprijs, de literaire prijs die vanavond in het Amstel Hotel in Amsterdam zal worden uitgereikt. Van Loy is genomineerd met zijn historisch roman Ik Hollywood. ,,Dit boek moest ik soms wegleggen om het te laten rijpen.”
Als Jan van Loy de oude Russen leest, moet hij altijd lang wachten tot er iets gebeurt waarvan zijn hart sneller gaat kloppen. De Vlaamse auteur (1964)
schrijft zelf graag verhalen ‘waar vaart in zit’. Dat is hem met Ik, Hollywood gelukt. In 640 bladzijden geeft hij aan de hand vanfictieve filmmogol Louie Peters een eeuw filmgeschiedenis. Elke bladzijde biedt genoeg stof voor een roman op zichzelf. In de kantine van zijn uitgever in Antwerpen vertelt Van Loy dat hij zijn lezers graag entertaint. „Ik moet ook wel, anders kijken ze liever naar een televisieserie.”

Een aantal recensenten had graag gezien dat u de gebeurtenissen wat meer uitdiepte.

„Lezers moeten zelf nadenken over wat ze zojuist gelezen hebben. Ik ga de filosofie van het boek niet voor hen oplepelen. Het diepzinnige van Ik, Hollywood zit juist in de gebeurtenissen en wat de personages zeggen. Het gaat er in de literatuur om dat je niet alleen maar leest wat er staat. Daarom zal ik nooit weerbarstig schrijven om literair genoemd te kunnen worden. Ik denk dat ik dat meer dan genoeg ben.”

De Librisprijsjury is dat met Van Loy eens en zette Ik, Hollywood op de shortlist. In het rapport staat dat ‘de auteur een ontstellende hoeveelheid documentair materiaal verwerkt tot een vertelling, die tot op de laatste pagina sprankelt en nooit geconstrueerd overkomt’.

Hoe lang deed u over het schrijven van het boek?

„In 2006 ben ik begonnen. Toen had ik het gevoel dat ik eindelijk rijp was voor het onderwerp dat me al zolang fascineerde. Als kind keek ik drie klassieke films per week. Dat waren avondvullende hoogtepunten. In de loop der jaren had ik puur uit nieuwsgierigheid een bibliotheek over het oude Hollywood  opgebouwd. Ik heb tijdschriften uit 1908 waarin heel gedetailleerd staat beschreven hoe filmploegen toen werkten. Dat is heel nuttig geweest tijdens het schrijfproces want ik had een concrete wereld als houvast. Op een gegeven moment maakt de broer van Louie Peters een verkooptournee langs twaalf inkoopkantoren. Die moeten dan wel allemaal echt bestaan hebben.”

In de tussentijd schreef u ook een ander boek, ‘De Heining’ (2008).

Ik, Hollywood moest ik soms wegleggen om het te laten rijpen. Bovendien heb ik veel geëxperimenteerd met de opzet. Zo heb ik overwogen om voor elk jaar een hoofdstuk in te ruimen. Toen zat ik na 1909 al op honderd bladzijden. Achteraf verbaast het me dat het boek zo lang mijn belangstelling heeft vastgehouden.”

Wat vindt u van uw nominatie voor de Librisprijs?

„Elke keer als ik een boek schrijf, ben ik bang voor de reacties. Pas als ze overwegend positief zijn, denk ik: ja, ik kan het nog. Zo’n nominatie helpt daarbij.”

In de boeken van Van Loy proberen de hoofdpersonen zich te ontworstelen aan hun afkomst. In zijn debuut Bankvlees (2004) trachten twee jongens te ontsnappen aan de burgerlijkheid, in Alfa Amerika (2005) streven vier Vlamingen de Amerikaanse Droom na en in De Heining (2008) zoekt een echtpaar naar de ultieme veiligheid.

Waar probeerden filmmogols aan te ontsnappen?

„Ik vind ze vooral interessant omdat ze zulke mysterieuze en verborgen levens leidden. De filmindustrie was begin vorige eeuw een afvalbak voor zakenmannen die in andere sectoren – vaak uit antisemitisme – werden uitgesloten. De Joodse studiobazen namen valse namen aan en deden alsof ze christelijk waren, zodat ze ook aan de bioscopen in het strenggelovige Midden-Westen konden verkopen. In de bioscopen vertaalden tolken schreeuwend de tussentitels in onder meer het Jiddisch. In die sfeer van outcasts voelden de toekomstige mogols zich thuis.”

Gaf u daarom Louie Peters een lichaamslengte van anderhalve meter? Om te benadrukken dat hij een outcast was?

„Studiobazen waren opvallend vaak kleine mannetjes. Ze kwamen de kleineringen uit hun verleden in Hollywood met macht compenseren. Hier oefenden ze oog in oog tegenover actrices en regisseurs hun gezag uit. Bovendien leken ze met hun films grote invloed te hebben op de massa.”

Ze zaten er dus niet in uit liefde voor de film?

„Nee, de filmpjes waren toen nog een soort kermisattracties. Maar eenmaal studiobaas, wilden ze van film een waardevol medium maken. Daarom richtten ze pretentieuze instituties als de Academy of Motion Picture Arts and Sciences op. Daarom zeiden ze: David Copperfield is naar het schijnt een beroemd literair werk, laten we dat maar verfilmen. In Europa zagen ze film vooral als beeldende kunst, maar de Hollywood-tycoons zetten het medium in als vertelvorm. Door die paar individuen leven wij nu in een beeldcultuur.”

Is uw boek niet meer een biografie van Hollywood?

„Ik heb Ik, Hollywood gebruikt om de geschiedenis van de twintigste eeuw te beschrijven. Aan de hand van de technische revoluties kon ik de veranderende wereld goed illustreren. Net zoals auto’s op oude foto’s meteen een tijdsbeeld geven. De biografie van Louie stopt in 1969, want in dat jaar ging de laatste overgebleven mogol, Jack Warner, met pensioen. Toen was het definitief afgelopen met de dominantie van de grote filmfabrieken.”

Er volgt dan nog een epiloog die zich in het Brussel van 2000 afspeelt. Een aan alcohol verslaafde Belgische journalist wordt gevraagd een biografie te schrijven over Louie Peters. Waarom voegde u die toe?

„Omdat het een roman is over het schrijven van de biografie van Louie Peters. Bij het lezen van de epiloog vraagt de lezer zich misschien af wat er allemaal aan die gedetailleerde biografie verzonnen is. In Hollywood en haar wereld van rode lopers is het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid ook vaak onduidelijk. Dat wilde ik in het verhaal en de structuur van Ik, Hollywood terug laten komen.”