Schilderijen als suikertaarten

Zijn achtergrond als huis-schilder was te zien in dikke, ‘gebeeldhouwde’ schilderijen in Mondriaantinten.

Bram Bogart Foto Th. J Marks

Zijn schilderijen lijken op suikertaarten of grof metselwerk. Mierzoete kleuren geel of rood zijn in pasteuze lagen aangebracht op het doek – als stroperige chocolade of grofkorrelig cement. Zo dik, dat zijn werken soms honderden kilo’s wegen. Gebeeldhouwde schilderijen, zou je ze kunnen noemen.

Bram Bogart (Delft, 1921) was samen met Armando en Jaap Wagemaker een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de zogenaamde materieschilderkunst, een abstracte kunststroming uit de jaren vijftig. Woensdag overleed hij op 90-jarige leeftijd in zijn woonplaats Sint-Truiden in België, het land waar hij in de jaren zestig was neergestreken.

Bogart, een pseudoniem van Abraham van den Bogaert, ontwikkelde in de jaren vijftig een uniek recept voor zijn schilderkunst. Hij was opgeleid als huisschilder en was daardoor erg bedreven in het maken van zijn eigen verfsubstanties. Door kleurpigment te mengen met lijnolie, lak, water, gips en kalk kon hij composities maken van vele centimeters dik. Werkend op de grond stapelde hij de verf met flinke kwasten en plamuurmessen op tot die kenmerkende suikertaarten. De maatvoering ervan was afgestemd op zijn eigen spanwijdte. Lijsten kregen zijn schilderijen niet, de kleuren mochten van Bogart ongeremd buiten het kader uit bulken.

Bogart borduurde daarmee voort op de weg die schilders als Jean Dubuffet, Jean Fautrier en Antoni Tàpies na de oorlog waren ingeslagen. Hun doeken leken met hun aardse kleuren op verweerde muren of gebarsten aardkosten. Maar Bogart voegde aan zijn reliëfschilderijen de kleuren van Mondriaan toe. Met zijn felle geel, rood en blauw plaatste de tot Belg genaturaliseerde schilder zich nadrukkelijk in de Nederlandse schildertraditie.

Als jonge schilder werkte Bogart figuratief, en liet hij zich inspireren door het werk van Permeke, Van Gogh en Cézanne. Zoals zoveel kunstenaars in die tijd, trok hij in de jaren vijftig naar Parijs, waar hij een tijdlang in de Rue Santeuil woonde, in dezelfde oude textielfabriek waar ook Appel en Corneille werkten. Maar zich aansluiten bij de Cobra-beweging heeft Bogart altijd geweigerd. Hij vond dat de Cobra-schilders te veel overlieten aan het toeval en zich te veel lieten leiden door hun impulsiviteit.

In de jaren zestig verhuisde Bogart naar Brussel en begon hij te experimenteren met eenvoudige geometrische vormen. Omdat, zo zei hij „alles in de natuur teruggebracht kan worden tot het teken, de rechthoek, het vierkant, het kruis en de cirkel”. Zijn werken werden steeds abstracter, tot ze feitelijk uit niets meer bestonden dan een paar verfstreken. Tientallen centimeters brede en dikke verfstreken, dat wel.