Reserveren niet nodig

In Osdorp staat Europa’s enige Noord-Koreaanse restaurant. Met in Noord-Korea geselecteerd personeel. „Het is alsof de buitenwereld niet echt tot ze doordringt.”

Eunhae Hong is een 20-jarige Zuid-Koreaanse. Ze studeert dit jaar in Amsterdam, en op deze doordeweekse avond ontmoet ze meer Noord-Koreanen dan ze eerder in haar leven zag. In Osdorp. Daar, in een slecht verlicht voormalig buurtcentrum, zit sinds kort het enige Noord-Koreaanse restaurant in Europa. Restaurant Pyongyang.

Eunhae loopt naar binnen. De kleine eetzaal is hel verlicht, op twee na zijn de tafeltjes leeg. De muren hangen vol met schilderijen van bloemen en bergen en panorama’s van hoofdstad Pyongyang. Links tegen de muur staat een karaokeset opgesteld, inclusief tv-scherm. Op het scherm zijn natuurlandschappen te zien, en teksten in het Koreaans. Eunhae leest voor. „Mijn thuishaven”, staat er. „Waar de vogels zingen en de bloemen bloeien door onze arbeid.”

Het restaurant is een initiatief van twee Nederlandse ondernemers, Remco van Daal en Remco Hellingman. Zij reisden meerdere keren op een toeristenvisum naar Noord-Korea, uit belangstelling voor dat vrijwel onbekende land. Ze ontdekten dat het land meer voorstelt dan politiek, armoede en hongersnoden. „Als de wereld spreekt over Noord-Korea, dan gaat het begrijpelijkerwijs over de dictatuur”, zegt Remco van Daal. „Maar wij zagen gewone Noord-Koreanen op onze reis. We spraken soms met ze, we raakten zelfs bevriend met onze gids. En we dachten: waarom proberen we het Noord-Koreaanse leven niet te laten zien aan het Westen?”

Hun idee: een Noord-Koreaans restaurant annex cultureel centrum oprichten in Nederland. Met in de bediening Noord-Koreanen, die ook kunnen zingen en dansen. „Kenners van Noord-Korea verklaarden ons voor gek”, zegt Van Daal. „Ze dachten dat het ons niet zou lukken.”

Het lukte wel, na jaren van bureaucratische rompslomp. Ze maakten een businessplan en praatten in Noord-Korea met het staatsbureau voor toerisme. „We werden toen doorverwezen naar het grootste Noord-Koreaanse restaurant buiten de landsgrenzen: restaurant Haedanghwa in Peking”, zegt Van Daal. „Daar vonden ze ons plan goed. Het management stelde voor in Noord-Korea personeel uit te zoeken dat bij ons plan paste.”

Het lukte Van Daal en Hellingman uiteindelijk ook om overheidsinstelling UWV te overtuigen van de noodzaak om Noord-Koreanen naar Nederland te halen. Ze regelden werkvergunningen voor drie jaar. En zo landden in december 2011 negen Noord-Koreanen op Schiphol. Vijf koks, drie serveersters en een tolk. Met 52 dozen met schilderijen, kookbenodigdheden, boeken en kleren.

Een klein half jaar later loopt het nog niet storm in het restaurant, zegt Van Daal. Doordeweeks is het rustig. Winst maakt het restaurant dan ook niet. „Maar er zit vooruitgang in. In de weekends zitten we al redelijk vol.”

Eunhae Hong heeft plaatsgenomen aan een van de tafels en kijkt naar de drie serveersters, die van haar leeftijd zijn. Ze hebben grote, poppige jurken van zijde aan. Hun haren in een paardenstaart, hun voeten in muiltjes met glinsterende hielbandjes. Ze glimlachen voortdurend. En ze zingen, tussen elke gang door. En dat is vaak, want ze serveren hier alleen vijf- en negengangenmenu’s. Dan pakken de vrouwen elk een grote, grijze karaokemicrofoon en zingen ze met hoge, zweverige stem Noord-Koreaanse ballades. Met hun lichaam zwenken ze op precies hetzelfde moment van links naar rechts, terwijl ze lachen als synchroonzwemsters.

Eunhae kijkt geboeid toe. „Dit liedje gaat over een man”, fluistert ze. „Dat ze geen arrogante man willen, maar een harde werker. Een man die een jaarplan maakt.” Lachend: „Dat klinkt heel Noord-Koreaans.”

De keuze voor Pyongyang als naam van het restaurant is opvallend. In onder meer Cambodja, China, Thailand en Singapore bestaat een gelijknamige keten van Noord-Koreaanse restaurants, die bekendstaat om zijn banden met de Noord-Koreaanse staat. De eethuizen zouden dienen voor het witwassen van geld en het binnenhalen van buitenlandse deviezen. Het regime selecteert het personeel.

Remco van Daal kent de verhalen over de Pyongyang-keten. Hij kan zich dan ook voorstellen dat de naamkeuze van zijn restaurant vragen oproept. „We kozen eenvoudigweg voor deze naam omdat we die duidelijk vinden. Pyongyang is een pakkende naam.” Dat hij daarmee de verdenking op zich laadt banden te hebben met een corrupte dictatuur die onderdanen naar concentratiekampen stuurt: so be it. „Laat mensen maar roepen. Wij hebben geen banden met de staat. En al helemaal geen financiële.”

„Hij liegt”, zegt Blaine Harden, journalist voor de Washington Post, die onlangs een boek schreef over de ontsnapping van een gevangene uit een Noord-Koreaans concentratiekamp. „Zo’n restaurant opzetten kan alleen als je totaal afhankelijk bent van het regime.”

Van Daal reageert: „Als hij zegt dat ik lieg, komt dat voor zijn rekening. Ik ben duidelijk over hoe wij het aanpakken. En als ik al geld zou willen doorsluizen naar Noord-Korea, dan heb ik een groot probleem. Dat mag namelijk niet eens van de bank.”

Tegelijkertijd weet Van Daal: zonder toestemming van de Noord-Koreaanse autoriteiten zou het restaurant in Peking hem niet aan personeel hebben kunnen helpen. „Ik denk dat de staat dit ziet als een prestigeproject. Het is positief dat westerlingen een andere kant van Noord-Korea kunnen zien.”

Gerecht vijf wordt geserveerd. Sinaasappel met een vulling van aardappel en vis, en als bijgerecht kimchi – een Koreaans gerecht van gefermenteerde kool met rode peper. Eunhae tegen een serveerster: „Zo’n gevulde sinaasappel heb ik nog nooit gehad.” Snel voegt ze toe: „Maar kimchi, dat ken ik natuurlijk.” De serveerster is enthousiast over die overeenkomst en antwoordt: „Ja, we zijn één natie, met één geschiedenis en één bloedlijn.” Vervolgens doet de serveerster weer drie pasjes terug en staat ze kaarsrecht te wachten tot het moment dat ze haar gasten opnieuw van dienst kan zijn.

Na twee liedjes tussen gerecht zes en zeven – zwarte kippensoep en barbecuevlees, telkens met veel knoflook – merkt Eunhae op dat veel van de teksten gaan over de hereniging van de Korea’s. „Ze hopen er blijkbaar op.” Zij kent de liedjes niet.

Het Noord-Koreaanse personeel woont in een reeks appartementen in een hotel pal naast het restaurant, vertelt Van Daal. Dat hotel is in handen van zijn zakenpartner Remco Hellingman. De Noord-Koreanen waren precies twee dagen in Nederland toen hun Geliefde Leider, Kim Jong-il, stierf. „Direct richtten ze een ruimte in het hotel in als rouwkamer”, zegt Van Daal. „Iedereen moest huilen, net als in Noord-Korea.”

Hij spreekt met zijn medewerkers via een tolk. Echt hoogte krijgt hij niet van hen. „Er is een natuurlijke afstand.” Soms maakt Van Daal uitstapjes met hen, naar de Zaanse Schans of naar Volendam. „Ik betrap ze niet op buitensporige belangstelling. Alsof de buitenwereld niet echt tot ze doordringt. De groep is het belangrijkste.”

Eunhae heeft haar negende gerecht op – een gelei van zoete aardappel. Ze staat op en laat zich in haar jas helpen. Ze stelt nog één vraag aan de serveersters, luistert naar het antwoord en loopt naar buiten.

Wat heeft ze gevraagd? „Of ze Noord-Korea missen.” Hun antwoord was ja. „Ze zeiden: we missen onze goede generaal Kim Jong-un en we missen onze ouders. In die volgorde.” En ze zeiden dat ze hun vrienden missen, zegt Eunhae. „Maar daarvoor gebruikten ze een ander Koreaans woord dan ik gebruik: kameraden.”