Red de euro, monsieur le Président: koop een pied à terre in Berlijn!

Meer groei, minder zuinigheid. Als we de nieuwe Franse president Hollande moeten geloven gaat de Europa een tijd tegemoet waarin tegenover de begrotingsdiscipline ook een nadruk komt op economische groei.

Hij wordt op zijn wenken bediend: er is een land in de eurozone waar de minister van Financiën zich, vorige week, enthousiast schaarde achter de hogere looneisen van de vakbonden. En dat is: Duitsland. De metaalindustrie – altijd leidend – eist 6,5 procent meer, de werkgevers willen niet verder gaan dan 3 procent over veertien maanden. Ook als ze daartussen uitkomen, dan is de loongolf fors.

Hogere lonen en een stijgende Duitse binnenlandse consumptie kunnen een aanjager zijn voor de rest van de eurozone. Als het prijspeil van arbeid, goederen en diensten binnen de eurozone een nieuwe balans moet vinden, dan gaat dat soepeler met wat meer frivoliteit in Duitsland dan dat de probleemlanden door een periode van diepe deflatie heen moeten. Dat is in ieder geval de theorie.

Duitsland heeft alles mee. Afgezien van het ‘Duitse model’ van industriële productie dat, zoals dat gaat, nu tot de posterboy van Europa’s economie is gepromoveerd, zijn de externe omstandigheden gunstig. De euro heeft dankzij de crisis een gematigde koers en de rente is onvoorstelbaar laag. Vanmorgen bereikte het rendement op Duitse tienjarige staatsleningen een diepterecord van 1,56 procent.

‘Zo kan ik het ook’, hoor je de andere Europese leiders denken. En inderdaad, zo konden ze het ook – totdat het fout ging. De lage rentes veroorzaakten een combinatie van laks begrotingsbeleid én/of een zeepbel op de onroerendgoedmarkt die zorgden voor een schijnwelvaart.

Hier wordt het in Duitsland interessant. Na een decennialange winterslaap is de Duitse woningmarkt ontwaakt. De strenge hypotheekeisen zijn wat versoepeld, de lonen gaan omhoog, de rente is ultralaag en er zijn relatief veel huurders (zestig procent van de markt) die het kopen van hun huis als goede belegging beginnen te zien.

Zet al deze factoren op een rijtje en je hebt Nederland in de jaren negentig, aan de vooravond van de woninghausse. En in Duitsland komt er nog een motief bij: alle crisismaatregelen van de Europese Centrale Bank maken veel Duitsers beducht voor het opleven van de inflatie, en een investering in de woning wordt gezien als een bescherming daartegen.

Het effect is flink. In maart stegen de Duitse woningprijzen landelijk met 5,8 procent. In de grote steden gaat het harder. In München, Hamburg en Berlijn gingen de prijzen van appartementen vorig jaar al met tien procent omhoog, en de stijging gaat gewoon verder. Tel daar bij op dat Europese vastgoedbeleggers ook wat moeten, en hun oog steeds vaker op de enige markt laten vallen waar nog rendement te halen valt.

Zijn we getuige van het begin van een Duitse zeepbel? Daarvoor is het nog veel te vroeg. De Duitse woningmarkt heeft nog wel wat in te halen – Berlijn is met voorsprong de goedkoopste wereldstad ter wereld. Maar het zou wel bijzonder zijn: de euro die wordt gered door Duitse oververhitting. Dat is ook een manier om je steentje bij te dragen aan het ‘groeipact’ dat president Hollande zo graag zou zien.