Politici (en legers) hechten aan hun doemscenario's

Iedereen heeft zijn eigen angsten, ook in de grote politiek. Maar wat doet een politicus met zijn schrikbeelden? Houdt hij ze voor zich, om geen paniek te zaaien, of luidt hij de noodklok?

Voor een Amerikaanse president kan het een dagelijks dilemma zijn. Iedere ochtend krijgt hij van de CIA een overzicht van de toestand in de wereld en de bedreigingen van de nationale veiligheid. Zo kreeg George W. Bush op 6 augustus 2001, terwijl hij met vakantie was op zijn ranch in Texas, anderhalf A4-tje met de kop: ‘Bin Laden vastbesloten toe te slaan in de VS’. Vijf weken later was het raak.

Zoals bekend had Bush geen speciale actie ondernomen, en ook de noodklok niet geluid. De dreiging was niet gedetailleerd en hing al jaren in de lucht. En de president was er ook niet erger van geschrokken dan van andere bedreigingen waarop hij regelmatig werd gewezen.

Politici in zulke posities moeten alert zijn om gevaren op tijd te kunnen bestrijden, maar ze moeten ook een zekere gelatenheid ontwikkelen. Je kan niet iedere dag de noodtoestand afkondigen.

Toch is er altijd de verleiding om angsten uit te venten en aan te wakkeren. Het is in de hele wereld een beproefd instrument om politieke steun te mobiliseren, en in Amerika heeft die traditie door 9/11 een flinke impuls gekregen. We danken er de ‘Oorlog tegen Terreur’ aan. Terrorisme was opeens de belangrijkste bedreiging van onze beschaving. Wie niet bang was, was naïef.

De afgelopen jaren hebben de Amerikanen zich langzaam wat ontworsteld aan die permanente staat van angst voor bedreigingen van buiten. Ze hebben nu andere zorgen aan hun hoofd, en die hebben meer te maken met hun baan en hypotheek dan met wat voor oorlog dan ook.

Maar de politiek en het leger hechten aan hun angsten en doemscenario’s – helemaal in een verkiezingsjaar, en zeker als er bezuinigingen op defensie aankomen. „Op dit moment leven we in de gevaarlijkste tijd die ik in mijn hele leven heb meegemaakt”, zei de hoogste Amerikaanse militair, voorzitter van de chefs van staven generaal Martin Dempsey, eerder dit jaar in het Congres. „Iedere ochtend als ik wakker word verwacht ik die cyberaanval, die terreuraanslag of die verspreiding van kernwapens” waar de wereld steeds onveiliger door wordt.

Ook volgens Romney en Obama neemt de onveiligheid toe. De eerste waarschuwt voor jihadisten, Iran, Rusland en China, de tweede in algemenere termen voor nucleaire proliferatie, terreur en cyberaanvallen.

Maar dat de wereld steeds gevaarlijker wordt is „domweg onjuist” schrijven Micah Zenko en Michael Cohen in het maart/aprilnummer van Foreign Affairs. Zowel Republikeinen als Democraten hebben belang bij „het opkloppen van de gevaren”. De twee onderzoekers wijzen erop dat het aantal gewapende conflicten in de wereld afneemt (van 53 in 1992 naar 30 nu), net als het aantal terreuraanslagen (en van de ruim 13.000 slachtoffers was in 2010 slechts 0,1 procent Amerikaan).

Bovendien is sinds het eind van de Koude Oorlog niet alleen het aantal kernwapens enorm verminderd, maar ook de hoeveelheid slecht bewaakt nucleair materiaal waarmee terroristen aan de haal kunnen gaan. Voorlopig dreigt er geen militaire confrontatie tussen grootmachten en „in de hele menselijke geschiedenis” heeft de wereld niet zo veel politieke vrijheid gekend als nu.

Kortom, we hoeven helemaal niet zo bang te zijn, we leven in een relatief veilige tijd. Een tijd waarin politici het zich best kunnen veroorloven zonder bangmakerij met hun kiezers over reële risico’s en gevaren te spreken. En dan niet alleen over problemen waarvoor zich een militaire oplossing aandient, maar ook over de bedreigingen waarvoor een complexe politieke en diplomatieke aanpak nodig is – zoals het klimaatprobleem, bestrijding van de internationale misdaad, honger en armoede. Maar wie wil daarmee bij zijn kiezers komen aanzetten?