Moet ik bang worden van je revolvertje?

De man van An Hartman werd 19 jaar geleden in hun sigarenzaak doodgeschoten bij een overval. Nu runt ze de zaak alleen.

Redacteur Justitie

Amsterdam. Het is al negentien jaar geleden, zegt An Hartman (67), maar dat gelooft niemand.

Negentien jaar geleden, op een zaterdagmiddag, werd ze gebeld door de eigenaar van het café aan de overkant van de tabakszaak die ze met haar man runde in de Amsterdamse Indische Buurt. Zij had die ochtend in de winkel gewerkt. Hij had haar afgelost. Ze was naar huis gegaan, deed boodschappen voor het weekend en de was.

Tot de telefoon ging. De kroegbaas, overstuur: „Je moet komen. André is door z’n kop geschoten.”

Haar man overleed. Drie maanden later werd de dader gepakt. De toen 17-jarige dader was op weekendverlof geweest toen hij de sigarenwinkel overviel. Hij zat vast wegens moord op een Amsterdamse vrouw.

Nu zijn het vooral juweliers die overvallen worden, vroeger was de sigarenzaak een vast doelwit. Zeker als er ook een postagentschap bij hoorde, zoals in de zaak van André Hartman. Voordat de dader die zaterdagmiddag binnenkwam, was de zaak al veertien keer overvallen. Een klant maakte er gistermiddag tegen An een grapje over. Hij kwam dit keer voor sigaretten, zei hij. „Niet om je te overvallen.” An lacht. Als hij weg is, zegt ze: „Vroeger werd ik daar boos om. Maar weet je, dit zijn de goeie.”

Ze is aardig tegen alle klanten. Ook tegen de man die binnenkomt en met een briefje van vijftig voor haar ogen wappert. „Wisselen.” Ze heeft zelf nauwelijks kleingeld, zegt ze met een blik in haar kassa-lade. Maar dan geeft ze hem toch twee briefjes van twintig en één van tien. „Dit kan ik voor je doen.” De man loopt zonder te bedanken de zaak uit.

Natuurlijk grijpt het haar aan, als ze hoort dat in Den Haag de vrouw van een juwelier weduwe is geworden. Dat hij, net als haar man, is neergeschoten. Het liefst wil ze dit soort nieuws ontlopen, maar dat lukt niet. „Als ik de tv aanzet, gaat het erover.” Het maakt haar boos, vooral als ze hoort dat advocaten een lagere straf willen voor de daders omdat hun foto is verspreid. „Dat is toch niet te geloven?”

In hun tijd was dat er trouwens allemaal niet, zegt ze – „filmbeelden en foto’s op tv, zoals de politie er nu ín gaat”. Zij hadden niet eens een camera in de zaak. Nu wel. En voor de deur staat een grote paal met een camera, gericht op de ingang. Die heeft de gemeente daar geplaatst. Maar laatst, toen er al vijf jaar geen overval meer was geweest, wilden ze die weer weghalen, zegt An. „Ze dachten dat het niet meer nodig was. En het was te duur.” Zij naar het stadsdeelkantoor; nu blijft de paal.

Na het overlijden van haar man is zij de zaak gaan runnen, alleen. „Wat moest ik thuis doen? Voor me uit staren? Ik ben een positief mens.” Ze had het inkomen ook nodig. Als ondernemer hadden zij en haar man geen vangnet. En wel twee dochters. Ze was niet bang als ze alleen achter de toonbank stond, zegt ze. „Ik dacht altijd, dit gebeurt niet nog een keer. Je wint ook niet twee keer de Lotto.”

Maar het gebeurde wel. Nog twee keer zelfs.

Drie jonge meiden kwamen de zaak binnen. Het viel An op dat één van de drie alleen een wit joggingpak droeg, terwijl het november was en koud. „Ze stonden maar een beetje, en toen zei er één: ‘Dit is een overval, kijk maar.’” An zag een klein model pistool in de hand van het meisje, die een beetje trilde.

„Nu weet ik niet wat me bezielde maar ik zei: ‘Kind, waar ben jij mee bezig? Met je revolvertje, moet ik daar bang van worden? Ga weg, van mij krijg je niets.’” En de meisjes renden weg. Nota bene de milieupolitie die toevallig langsreed kon ze een paar straten verderop aanhouden. „In de auto van een of andere gozer van wie ze dat natuurlijk moesten doen.” De andere keer, ze kan er kort over zijn, was „een greep uit de kas”. Eigenlijk wilde ze op haar 65ste stoppen met werken, maar „toen kwam de crisis”. Dit jaar wordt ze 68. Sinds haar man is overleden, heeft ze geen toekomstplannen meer gemaakt.

Tussen vier uur en half zes is het druk in haar zaak. Haar klanten komen voor sigaretten, kras- en staatsloten en een praatje. Het leven heeft haar ook goede dingen gebracht, zegt ze. „Ik kan anderen troost bieden. Ik weet wat mensen doormaken die alleen komen te staan, zoals die vrouw in Den Haag. Dat je aan kleren gaat ruiken. Dat je boos wordt, op hém, omdat hij altijd zei dat hij 102 zou worden.”