Martin Bril

Een bundeling van columns: het heeft altijd iets vermoeiends. Columns zijn er omdat in een krant behoefte is aan een korte mening, een geestige knipoog naar het nieuws, bij voorkeur een tikkeltje ongenuanceerd. Columns die bij elkaar gezet zijn in een suggestie dat ze er éigenlijk een rode draad is: het zou verboden moeten worden, zeker wanneer het een postume uitgave betreft.

Met flinke tegenzin boog ik me dan ook over de verzamelbundel Heimwee naar Nederland (Prometheus, € 14,95) van Martin Bril. Stukjes die hij voor verschillende kranten als Het Parool en de Volkskrant schreef over zijn tochten door Nederland zijn erin verzameld. En jawel hoor, dankzij de naam en reputatie van de auteur staat de bundel in de CPNB-bestsellerlijst op de achtste plek. Het Martin Bril-effect, dankbaar geïncasseerd door de uitgeverij.

Tenminste dat denk je bij het intro van ‘Denkend aan Nederland’, dat Bril ooit schreef bij een van de schitterende heruitgaven van Cas Oorthuys’ fotoboeken De schoonheid van ons land. Elke alinea begint met ‘Als ik denk aan Nederland, waar denk ik dan aan?’ Hierna volgen niet al te opzienbarende gedachten, want Bril denkt als veel Nederlanders dan aan bruggen, De scheepsjongens van Bontekoe, de Elfstedentocht, de Hema en Super de Boer.

Maar dan volgen de columns zelf en merk je dat ze ook zo na elkaar nog steeds leuk zijn.

Over een standbeeld merkt Bril bijvoorbeeld op dat de afgebeelde (de vergeten schrijver Anton van Duinkerken) blijkens het standbeeld een erg groot hoofd moet hebben gehad. Een mislukt standbeeld in één zin neergezet, en nog met sympathie ook; wanneer je de volgende keer op het marktplein in Bergen op Zoom bent, kijk je er toch naar.

Fijn zijn ook de verhalen over Grietje die na de bouw van de Afsluitdijk als eerste de sprong van Noord-Holland naar Friesland maakte, een ongelukkig, paranoïde gouverneursechtpaar in Assen of de aan syfilis lijdende Lodewijk Napoleon en zijn vele vriendinnen. Of goede observaties als ‘een goeie Chinees heet Peking. Of De Lange Muur’ (over een restaurant in Den Helder).

Hoogtepunt van de bundel is wat mij betreft toch een column over het Zuidplein in Rotterdam dat volgens de gemeente een bruisend, gezellig en levendig plein moet worden. Waarom eigenlijk, vraagt Bril zich af. ‘Er mogen toch ook wel pleinen zijn waar je niet voor je lol heen gaat? En waarom is een plein geen kloppend hart als er dagelijks duizenden auto’s passeren?’ Goede vragen, maar dan zijn we er nog niet.

Bril gaat vervolgens verder op het plan van de gemeente om ‘themabouwen’ op het plein los te laten. ‘Themabouwen, dames en heren heeft de toekomst. Wonen, werken en recreatie zo dicht mogelijk bij elkaar, met het thema dat alle functies verbindt. Het thema voor het Zuidplein is: Kabouter Plop’ en dan verder: ‘er komt een enorm familiehotel, een park met een achtbaan, een eendjesvijver, een kabouterbos, en in alle omliggende winkels zal de figuur Plop en zijn vrienden een prominente rol gaan spelen.’

Het Kabouter Plop-plein is er nooit gekomen, de gemeente kwam tot bezinning. Het zou mij niet verbazen als dat besluit tot stand kwam na lezing van Brils column. Nu blijft de gekte tenminste bewaard.