Kennisland China houdt Amerika gratis spiegel voor

De lange arm van China reikte zelfs tot het onooglijke universiteitje Dicksinson State College, in een vergeten stadje in het prairielandschap van North Dakota. Deze universiteit zou in de vaart der volkeren opstomen door de stichting van een Confuciusinstituut, betaald door de Chinese regering. Studenten zouden Chinese taal en cultuur leren, de docenten zouden met Chinees geld een voorpost van Chinese publieksdiplomatie worden.

De Chinese invloed groeit merkbaar in de Verenigde Staten. Chinees is op veel basisscholen al een verplicht vak, er komen tienduizenden Chinese studenten naar Amerika. China betaalt al ruim zeventig Confuciusinstituten. Dat zo’n instituut vrijwel gratis is voor een Amerikaanse universiteit, helpt ook.

In februari blies de universiteit in Dickinson het plan plotseling af. Over de reden is een woordvoerder desgevraagd schimmig. Het zou te maken hebben met „een financiële kwestie” en „herschikking van prioriteiten”. Er was ook net gedoe geweest met Chinese studenten die niet of nauwelijks college volgden en ruim 10.000 dollar per jaar betaalden.

Maar er speelt nog iets anders: in de academische wereld is een debat losgebarsten over de groeiende invloed van de Chinese regering op onderwijs en onderzoek. Een hoofddocent Chinese politiek aan de universiteit van Miami, June Teufel Dreyer, klaagde dat China de grenzen bepaalt van de academische vrijheid: Tibet, persvrijheid, facties binnen de Communistische Partij – het zijn allemaal verboden onderwerpen op de Confuciusinstituten. Het mag alleen gaan over China’s rijke verleden, de cultuur, veilige thema’s. Het enthousiasme maakt op universiteiten plaats voor argwaan.

Amerikanen weten zich nog steeds geen raad met China. Het is het land waar hun spullen gemaakt worden, hun speelgoed, hun iPads, en dat zich opwerpt als politieke, militaire en economische concurrent rondom de Stille Oceaan. De zaak-Chen, en de Amerikaanse verlegenheid over het eigen handelen, bevestigen dat beeld van een geduchte concurrent. Dit alles maakt nieuwsgierig, maar kennis is nog steeds beperkt.

De Chinese regering regisseert de informatie over zichzelf graag. Oscar Garschagen schrijft vandaag in De Wereld dat China jaarlijks 6,5 miljard dollar besteedt aan imagoverbetering wereldwijd: „De draak is weliswaar snel imponerend groot geworden, maar het beest spuwt geen vuur en is goedaardig.”

Vanuit Amerikaans perspectief lijkt die draak wel angstaanjagend op het beeld dat Amerikanen van zichzelf willen hebben. China is het land van de imponerende groeicijfers geworden, van vooruitgangsdenken en voorspoed.

Een Confuciusinstituut doet in feite het tegenovergestelde van wat het beoogt. Niet alleen groeien de zorgen over China’s intellectuele expansionisme, het maakt Amerikanen ook bewust van hun eigen zorgelijke situatie. China strooit met gratis instituten, het armoedige Amerikaanse hoger onderwijs rest niets anders dan de gift dankbaar te aanvaarden. Tenzij ze zo hardvochtig zijn als in North Dakota.