het speelterrein van Sarkozy

In de achtertuin van Libië was het altijd al onrustig. Kolonel Moammar Gaddafi had er veel plezier in met zijn oliegeld en wapens rebellen tegen naburige regimes te steunen en zich er vervolgens weer van af te keren, als hij daar zin in had, om het zittende bewind te redden. Maar die onrust valt haast in het niet bij de opstandigheid die over de Sahel trekt sinds de NAVO de democratie heeft helpen overwinnen in Libië.

De overvloed aan moderne (zware) wapens die daarbij in Libië is vrijgekomen heeft stammen, rebellen, terroristen en criminelen onvermoede mogelijkheden gegeven voor oorlog, terrorisme en drugs- en wapensmokkel.

Het eerste slachtoffer was eind maart de democratisch gekozen regering van Mali, gewipt door het leger dat oprukkende Toeareg-rebellen een halt wilde toeroepen. Niettemin hebben de Toeareg, versterkt met Gaddafi’s oude strijders die werkloos waren geworden en met wapens uit zijn welgevulde arsenalen, tweederde van het land bezet. Daar beginnen moslimfundamentalisten die in hun kielzog zijn meegekomen hun wil aan de bevolking op te leggen. Leiders van de regionale Al-Qaeda-organisatie vertonen zich er openlijk op straat.

Nu begint ook het buurland Niger zich bedreigd te voelen. Libische wapens zijn inmiddels tot in Nigeria en bij Hamas in de Gazastrook gearriveerd. Een zending met bestemming Syrische rebellen werd voor de kust van Libanon onderschept.

In Libië zelf is het ook al feest. De tientallen strijdgroepen die met luchtsteun van de NAVO en onder warme aanmoedigingen van westerse leiders vorig jaar Gaddafi’s bewind ten val brachten, hebben bij nader inzien geweigerd de wapens die zij uit de arsenalen hebben geplunderd, weer in te leveren. Daarmee houden zij steden en regio’s in hun greep. Een grote groep stamleiders en militiecommandanten heeft het oosten autonoom verklaard. Aan de grens met Tsjaad in het zuiden voeren stammen oorlog over geld, macht en smokkelroutes. De centrale autoriteiten in Tripoli kijken hulpeloos toe.

„Noch Europa, noch de regio, noch de wereld kan zich een nieuwe veilige haven voor extremisten veroorloven”, schreven de presidenten van de Verenigde Staten en Frankrijk, Barack Obama en Nicolas Sarkozy, en de Britse premier David Cameron een jaar geleden in een gezamenlijke open brief. Zij bedoelden: als Gaddafi zou aanblijven. Dat zou Libië „veroordelen tot de status van pariastaat, maar ook tot die van mislukte staat”, schreven ze.

Maar waar zijn Obama, Sarkozy en Cameron nu het gebied inderdaad is veranderd in een reusachtig speelterrein voor extremisten, rebellen en criminelen?

Carolien Roelants