Groeien is lastig als de haven om vijf uur sluit

Voor een opkomende economie als Brazilië gaat het zorgelijk slecht met de industrie. Logisch in een land waar alles duurder is, langer duurt en waar veel bureaucratie heerst.

Correspondent Latijns-Amerika

Rio de Janeiro. Het woord is gevallen, maar vooralsnog taboe in de Braziliaanse hoofdstad Brasília: de-industrialisatie. Economen discussiëren er al over en de vakbonden zijn er bang voor. Een opkomende economie als die van Brazilië kan toch niet nu al in de fase van de-industrialisatie zitten?

De Braziliaanse industrie ligt onder het vergrootglas. In 2011 daalde het belang van de nationale industrie in het bruto binnenlands product naar een dieptepunt van 14,6 procent (15,8 in 2010), vergelijkbaar met het zorgelijke niveau van de jaren vijftig.

Doemdenkers vrezen het ergste. De schoenenbranche krimpt, de textielindustrie lijdt, de auto-industrie zucht. Waar houdt het op? Een van de gevolgen: een tegenvallende economische groei in 2011 van slechts 2,7 procent. Dus heeft de regering tal van maatregelen aangekondigd om de industrie een impuls te geven.

Volgens de analyses van de regering zijn de oorzaken van de malaise helder. De hoge rente (9 procent) in de zesde economie van de wereld is een blijvend probleem. Zij maakt leningen voor investeringen duur. Tegelijkertijd stimuleert zij de instroom van goedkope dollars – door president Dilma Rousseff „een monetaire tsunami” genoemd.

Dat laatste heeft weer geleid tot een dure reaal: pijnlijk voor de export, fijn voor de import. Brazilië zal zijn nationale industrie niet laten „afbreken” door deze ontwikkelingen, zo zei Rousseff.

De taal van de regering is veelzeggend. „We zullen er alles aan doen om onze industrie te beschermen”, luidt de boodschap. Met de nadruk op protectie en niet op verbetering van de (verouderde) infrastructuur en op verlaging van de (hoge) belastingdruk voor bedrijven.

Maar de plannen die de regering aankondigde, werden door economen afgedaan als „hapsnap maatregelen”. De woorden ‘lange termijn’ nam de regering niet in haar mond. En steeds werd de schuld ook weer gelegd bij het buitenland, waar lage rentes munten goedkoop houden.

De feiten achter de retoriek van de regering laten echter een ander beeld zien. Uit cijfers van 2010 van de Wereldbank blijkt dat Brazilië verhoudingsgewijs weinig importeert. Zo’n 12 procent van het bbp bestond dat jaar uit import, terwijl dat in landen als China en India respectievelijk 26 procent en 25 procent was.

Wellicht is dat lage percentage ook wel verklaarbaar: de gemiddelde importheffing in Brazilië behoort met 13,4 procent tot de hoogste ter wereld. En daarna worden er nog allerlei andere lokale belastingen geheven op het product. Ter illustratie: een iPad2 kost in São Paulo 56 procent meer dan in San Francisco.

Daar ligt precies het probleem, zegt Cristiano Prado, specialist concurrentievermogen van Firjan, de federatie van industrie van de deelstaat Rio de Janeiro. „Met de goedkope dollar moet je gewoon leren leven. Je hebt hier met absurde belastingen te maken, en andere zaken die het ondernemen belemmeren.” De regering, zegt Prado, moet zich juist afvragen hoe zij de industrie efficiënter en competitiever kan maken.

Voor sommige problemen bestaan volgens hem simpele oplossingen. De Braziliaanse havens bijvoorbeeld. Er is er niet één die 24 uur per dag open is. Hij geeft een voorbeeld van een boot die na 17.00 uur aankomt, en zijn goederen wil inklaren. „Ja, sorry, maar dan zijn hier de douaneloketten gesloten. Pas de volgende dag kunnen spullen aan land. Deze praktijk kost miljoenen. Dat zal in de havens van Rotterdam niet snel gebeuren.”

Ook de elektriciteitskosten vormen een probleem. Met een prijs voor bedrijven van 143 euro per megawattuur liggen de stroomkosten grofweg 50 procent boven het gemiddelde van de overige 27 landen die zijn aangesloten bij het Internationaal Energie Agentschap.

Een soortgelijk verhaal kan Prado houden over de kosten van internet, gas of het openen en sluiten van bedrijven. Hij zegt: „Het is allemaal veel duurder hier, alles duurt langer, er is vaak meer bureaucratie, en zo kan ik lang doorgaan. De overheid zou ook innovatieve bedrijven fiscaal moeten stimuleren. Pas als dat soort zaken worden opgelost, kan de industrie echt competitief worden.”