Eyolf is tergend én spannend

Kleine Eyolf door het Nationale Toneel. Inl.: nationaletoneel.nl

Theatrale blufpoker is het, wat regisseur Susanne Kennedy laat zien in Kleine Eyolf. In haar radicale omwerking is het stuk van Ibsen enkel vorm, louter buitenkant. De zeven acteurs zijn marionetten, ze spelen als opwindbare ledenpoppen.

Marlies Heuer, Rita, komt op met het gezicht van een klopgeest en met schouders die afhangen alsof ze een zwaar voorwerp torst. Tachtig minuten lang verandert haar houding niet. Haar man Alfred helt voortdurend voorover, tot het punt van net niet vallen. De tekst is teruggesnoeid tot een tiental zinnen die voortdurend terugkomen, gezegd op demonstratieve toon. De acteurs staan stil; hun bewegingen zijn teruggebracht tot bijna rituele handelingen.

De blufpoker zit in het idee dat de essentie van het verhaal zo beter wordt uitgedrukt. Ik vraag het me af. In de houding openbaart zich het verdriet van dit echtpaar, dat getroffen is door een ongeluk met hun zoontje Eyolf. Uit de korte zinnetjes blijkt hun schuldbesef en hun onvermogen. Maar je ziet enkel vorm.

Te midden van het rigide formalisme zorgt Eyolf voor een stoot absurdisme die de voorstelling op stoom houdt. Hij opent met vijf minuten op een hobbelpaard in een eenzame spot. Halverwege de voorstelling imiteert hij op grandioze wijze een fanfare, eindeloos rondjes lopend: ‘Tpetepetedumdum, trrrrr, trrrrr.’

Kennedy sluit af met zware effecten: rook, knallen, lichtflitsen en een groot kruis met tl-licht dat langzaam naar beneden komt. ‘Verlossing’, staat er op het doek waarop voortdurend filosofische aforismen worden vertoond. Maar die ommezwaai naar christelijke symboliek is nogal belegen, en spoort niet met de even tergende als spannende vormentaal van de rest van de voorstelling. Tussen die emoties balanceert Kleine Eyolf: een voorstelling die je in al zijn eentonigheid niet had willen missen.