De grijze haren van Obama

In de eerste jaren van zijn presidentschap bond Obama de strijd aan met de politieke polarisatie in de VS. Dat gevecht heeft hij nu opgegeven.

Publicist

Een paar weken geleden ging ik eten bij mijn zus en haar vriend. Ik had haar lang niet gezien en keek uit naar deze kans om bij te praten, maar helaas maakte mijn neefje van tweeënhalf een gesprek van meer dan drie zinnen onmogelijk. Hij zit in de nee-fase, ook wel peuterpuberteit genoemd, en weigert stellig elke opvoedkundige suggestie van zijn ouders. Hij lag op de grond boos te huilen omdat hij geen toetje wilde. „Nou, dan krijg je toch geen toetje.” „Ik WIL niet geen toetje!”

Het is ongemakkelijk om als buitenstaander toe te kijken hoe iemand om wie je geeft machteloos staat. Hetzelfde gevoel bekroop mij als aanhanger van de Amerikaanse president Barack Obama de afgelopen jaren regelmatig. Net als mijn zus moest hij na een hoopvol begin met grote idealen al snel de beperking van zijn macht erkennen. De altijd zo vitale Obama werd steeds grijzer en kreeg zware kringen onder zijn ogen.

De Amerikaanse politiek zit al bijna een decennium in zijn eigen nee-fase. De website Gallup berekende het verschil in de jaarlijkse approval rating door Democraten en Republikeinen van alle presidenten sinds 1953. De toptien wordt gedomineerd door de laatste twee presidenten: George W. Bush en Obama. In het vierde jaar van Bush’ bewind (2004-2005) bedroeg het verschil tussen de rechtse (91 procent) en linkse (15 procent) goedkeuring liefst 76 procent, een record. Obama’s derde jaar bezet plaats vier, met een verschil van 68 procent. In de jaren zeventig kende de Democratische Partij nog een conservatief deel, en bestonden er Republikeinen met progressieve sympathieën. Nu is de meest linkse Republikein rechtser dan de meest rechtse Democraat. Er bestaat geen middenpolitiek meer, en de rechtse politiek wordt steeds extremer.

Zoals wel vaker hobbelt Nederland in zijn ontwikkeling achter de VS aan. Hoewel ons meerpartijenstelsel beter beveiligd is tegen polarisering, toonden de resultaten van de laatste Tweede Kamerverkiezingen aan dat de glorietijd van de middenpartijen CDA en PvdA definitief voorbij is en dat het electoraat zich keurig in een linkse en een rechtse helft verdeelt. De liberale VVD vergrootte na een eerste aarzeling definitief de politieke kloof, toen het samenwerking met de extreme PVV en SGP boven de gematigde linkse partijen verkoos. Nu bleek met het mislukken van het Catshuisberaad dat het zelfs binnen deze twee kampen onmogelijk is om tot overeenstemming te komen, en Geert Wilders zijn eigen nee-fase voortzet. Bestaat er nog hoop voor het democratische systeem, dat gestoeld is op de kunst van het compromis?

Barack Obama’s politieke carrière wordt gekenmerkt door een overkoepelend doel, zo schreef Ryan Lizza in ‘The Obama Memos’ (The New Yorker, 30 januari 2012): het overbruggen van deze polarisering. Bij elke functie die hij ooit bekleedde, probeerde hij samenwerking tussen tegenstanders te stimuleren. Zijn grote doorbraak vond plaats op het hoogtepunt van de verdeeldheid onder Bush, toen hij tijdens de Democratisch conventie van 2004 verraste met een Martin Luther King-achtige speech: „Er is geen liberaal Amerika, of een conservatief Amerika, er is de Verenigde Staten van Amerika!” De strijd tegen elke vorm van verdeeldheid was een van de fundamenten van zijn succesvolle campagne. Als iemand zou kunnen inspireren tot eensgezindheid, was hij het, zo leek het tijdens de euforie van 2008.

Maar de Republikeinen kozen voor een simpele tactiek: nog meer polarisatie. Het is een cynische, maar logische keuze. Binnen een verdeeld politiek landschap betekent een stap naar het midden immers een overwinning voor de ander. De Republikeinen houden koste wat het kost hun poot stijf. Polarisatie leidt zo onvermijdelijk tot méér polarisatie en wie dat wil doorbreken, wordt door de steeds minder genuanceerde publieke opinie met gemak als ‘slap’ weggezet – zie onze eigen Job ‘Yes we’ Cohen. Obama’s geloof in compromis bleek een naïeve droom te zijn, en toen de Democraten in 2010 hun meerderheid in het Huis van Afgevaardigden ruim verloren, stond hij met zijn rug tegen de muur.

Alles wat de president sindsdien suggereert, wordt geweigerd. In plaats van een figuur die partijen samenbrengt, is zijn persoon inmiddels vakkundig tot het verdeelpunt bij uitstek gemaakt. Afgelopen maand sneuvelde Obama’s Buffett Rule (die het belastingtarief voor de rijkste Amerikanen moest verhogen) en in juni spreekt het Hooggerechtshof zich uit over zijn door Republikeinen gehate Zorgwet, beter bekend als Obamacare.

Hoe ga je met de nee-fase om? Volgens de website peuteren.nl moet je vooral begripvol zijn en jouw kant van het verhaal uitleggen, zodat het kind zich serieus genomen voelt. Dat heeft Obama lang geprobeerd, met de formatie van gemengde comités en lange vergaderingen met Republikeinen. Het leidde tot niets, behalve meer grijze haren. Uit de interne memo’s die The New Yorker in handen kreeg, komt het beeld naar voren van een president die de hoop op samenwerking met zijn Republikeinse tegenstanders heeft opgegeven. In zijn speech voor de leden van de Associated Press wees hij onlangs met veel venijn op het ‘extreme’ begrotingvoorstel van de Republikeinen, dat niets anders is dan „sociaal darwinisme”. Het contrast met zijn speech uit 2004 is schrijnend.

Obama lijkt het probleem geaccepteerd te hebben. In zijn vorige maand gelanceerde campagnefilmpje worden de Republikeinen als „the Party of No” weggezet. Maar tegelijk trekt de president zich terug op zijn kant van de kloof. Obama werpt zich op als verdediger van de Amerikaanse midden- en onderklasse, terwijl zijn tegenstander Mitt Romney symbool staat voor de rijke Amerikaan die niets van het volk begrijpt. Hier en daar werd gesuggereerd dat Obama wist dat de Buffet Rule afgewezen zou worden en hij het alleen maar voorstelde om de onwil van de Republikeinse Partij aan te tonen, zeker als het om maatregelen tegen de macht van het geld gaat.

Ons eigen verrassende Wandelgangenakkoord bracht een sprankje hoop voor de zorgwekkende verdeling van het politieke landschap. Alexander Pechtold sprak zelfs hoopvol van „de terugkeer van de middenpolitiek”. Maar collega Jolande Sap gaf direct toe dat ze liever met de PvdA dan met de VVD samenwerkte en alle leden van de Kunduzcoalitie erkenden dat de meeste maatregelen van het akkoord na 12 september hun waarde kunnen verliezen. Zagen we hier de terugkeer van de middenpolitiek, of een laatste stuiptrekking omwille van een symbolisch gebaar naar Standard en Poor’s?

Pechtolds optimisme valt te prijzen, maar in een land waar kabinetten het sinds de opkomst en ondergang van Pim Fortuyn gemiddeld 18 maanden volhielden (iets langer dan een iPhone) is meer dan een paniekakkoord nodig om de toenemende verdeling op te lossen. De mislukte strijd van Barack Obama toont aan dat het hier om een van de grootste problemen van onze tijd gaat. We zullen de komende maanden zien of zijn laatste, cynische tactiek zal werken. Tot dan hou ik me vast aan wat een oude Tibetaanse monnik ooit op een bergtop tegen me fluisterde: „De aarde is rond. Uiteindelijk kom je elkaar, als je maar lang genoeg achteruit loopt, weer tegen.”