De Bovenbazen

Op een ochtend, nog niet lang geleden, hadden heer Bommel en Tom Poes een wandeling in de omtrek gemaakt.

‘Er gaat toch niets boven het leven van een Bommel,’ sprak heer Ollie tevreden op huis toe stappend. ‘Heb je ooit zo’n fraaie omgeving gezien? Of een woning, die zo geschikt is voor een heer als slot Bommelstein? Kijk eens naar die fiere bouwstijl. Zuivere gotiek!’

‘Het is geen gotiek,’ zei Tom Poes. ‘Het is...’

‘Het kan me niet schelen wat het is,’ onderbrak heer Ollie met verheffing van stem. ‘Het bevalt me en daarmee uit! Neem een voorbeeld aan je vriend en beschermer, die zijn dagen in rust en vrede slijt, vol mooie gedachten, als je begrijpt, wie ik bedoel.’ In deze trant sprak hij nog enige tijd voort en zijn stem was zo krachtig dat een paar voorbijgangers de pas inhielden om beter te kunnen luisteren.

‘Wie is dat?’ vroeg de kleinste getroffen. ‘Wat is dat voor praat?’

‘Ik zal even kijken, meneer Steinhacker,’ prevelde de ander, een boekje uit zijn tas halend.

‘Kijken!’ zei de eerste knorrig. ‘Ik betaal een secretaris geen duur geld om hem in boekjes te laten kijken. Hij moet weten! Uit het hoofd, Steenbreek. Uit het hoofd!’

‘Ja, meneer,’ zei Steenbreek, al bladerend.

‘En noem me geen meneer!’ riep zijn werkgever driftig. ‘Wie denk je dat je voor je hebt? Voor jou ben ik aws! Onthoud dat, anders vlieg je eruit!’