China, omdat het moet, elke dag

China wenst een harmonieus en vredig imago. Het zet reclame in, maar pakt stoorzenders keihard aan.Oscar Garschagen, Shanghai

Kom zo spoedig mogelijk naar het ministerie van Buitenlands Zaken in Shanghai om „de berichtgeving in NRC Handelsblad over China” te bespreken, piepte vlak voor Pasen mijn iPhone. Vroeg of laat wordt iedere westerse journalist geconfronteerd met het urgent verzoek een „kopje thee te komen drinken”.

Directe aanleiding vormde een klacht van de staatsveiligheidsdienst over een ontmoeting met een Tibetaanse ‘levende Boeddha’ en artikelen over Tibetanen die zichzelf in brand steken en over rebelse Chinezen, onder wie de politieke stokebrand Ai Weiwei. Het type verhaal kortom dat niet past bij het vreedzame en harmonieuze imago dat China wil uitstralen.

De „uitnodiging” weigeren was geen optie, vooral niet omdat mijn Chinese assistente door zowel de staatsveiligheidsdienst als een ministeriele functionaris onder zware druk was gezet. Zij nam, zo luidde hun waarschuwingen, grote risico’s als zij doorging een westerse journalist in contact te brengen met Tibetanen en agerende Chinezen – alsof zij zelf de weg naar de media niet weten te vinden. Wat haar, en mij niet minder, vrees inboezemde was het dreigement dat als zij niet luisterde er vooral tegen haar en haar familie sancties zouden worden getroffen. Haar ouders wonen op het platteland.

Tijdens het gesprek vertelde topambtenaar Wang over een onderzoek naar onze contacten. Details over dat onderzoek (nog onbekend door wie) bleven vaag. Hij stelde ook vragen, of beter gezegd, beleefd verpakte waarschuwingen. „Waarom besteden u en uw krant zoveel aandacht aan interne, marginale zaken? Wilt u uw assistente waarschuwen dat zij geen staatsgevaarlijke activiteiten meer onderneemt? Wist u dat dit in strijd is met de wet op de staatsveiligheid?”

Het leek, gezien alle vaagheid, beter om niet te reageren. Toon en gezicht van meneer Wang veranderden toen hij een reeks „nuttige tips over onderwerpen die veel interessanter zijn voor onze vrienden in Nederland, waarmee wij al 40 jaar de beste betrekkingen onderhouden” ter sprake bracht.

Voor meneer Wang is er namelijk geen onderscheid tussen wat politieke wetenschappers ‘publieksdiplomatie’ noemen en ouderwetse propaganda om politieke doelen te bereiken. Chinese publieksdiplomatie richt zich op andere volkeren en heeft tot doel de angst voor een agressief en sterk China weg te nemen. De draak is weliswaar snel imponerend groot geworden, maar het beest spuwt geen vuur en is goedaardig. Dat idee moet postvatten in de hoofden van al diegenen – en dat zijn er velen in de VS en Europa – die de opmars van China met groeiende vrees volgen.

Volgens de Nederlandse sinologe Ingrid d’Hooge, die in Shanghai verbonden is aan het Haagse Clingendaelinstituut, is imagebuilding – zij spreekt van ‘nieuwe publieksdiplomatie’ – inmiddels een wezenlijk onderdeel geworden van de Chinese buitenlandse diplomatie. Nieuwe generaties diplomaten beschikken over de taal- en communicatievaardigheden om zich te verstaan met buitenlands publiek, te netwerken en Chinese standpunten te verdedigen in de media van de landen waar zij zijn gestationeerd, stelt D’ Hooge in The Hague Journal of Diplomacy onder de titel ‘Into High Gear: China’s Public Diplomacy’.

Harmonie

Om dat Confuciaanse imago van een vreedzaam, harmonieus land te creëren, besteedt China jaarlijks zo’n 5 miljard euro, de financiële nasleep van de organisatie van de Olympische Spelen in 2008 en de Wereldtentoonstelling in 2010 niet meegerekend. Met die sommen geld, waar de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Clinton jaloers op zegt te zijn, wordt het 24-uurskanaal CNC World ontwikkeld naar het voorbeeld van Al Jazeera International. Internationale edities van de Global Times, China Daily en People’s Daily, dat onlangs in New York naar de beurs ging en al net zo groot is als The New York Times, verschijnen in steeds meer landen en steeds meer talen. Ook het aantal Confuciusinstituten voor Chinese taal en cultuur groeit snel. Er zijn er nu vijfhonderd in tachtig landen.

De meest spectaculaire uiting van China’s ‘publieksdiplomatie’ zijn de lichtreclames op Times Square, waarin het China van de topsporters, wereldbekende internetondernemers en uiteraard ook de astronauten figureren. Het New Yorkse voorbeeld zal tijdens de Olympische Spelen in Londen worden herhaald.

Nieuw voor China is dat niet alleen de Communistische Partij de boodschap bepaalt, maar dat zakenlieden, wetenschappers, toeristen, sporters en het enorme leger aan Chineestalige bloggers een steeds grotere rol gaan spelen in de beeldvorming van China.

Al die inspanningen worden met regelmaat ondermijnd door de arrestatie van dissidenten, het neerslaan van demonstraties of het intimideren of in elkaar slaan van buitenlandse journalisten, zoals de Nederlandse journalist Remko Tanis van de GPD onlangs overkwam in een dorp ten zuiden van Shanghai. „We doen inderdaad vaak dingen die onze inspanningen op het gebied van publieke diplomatie en de projectie van onze soft power in de wereld beschadigen”, erkent professor Wang Yiwei van het nieuwe The Charhar Institute, een non-gouvernementele denktank op het gebied van buitenlandse zaken. Wang is afgestudeerd aan de Universiteit van Yale en de gerenommeerde Fudan-universiteit in Shanghai.

Zeker, de zaak van de blinde dissident Chen Guangcheng doet de Chinese publieksdiplomatie bepaald geen goed, erkent Wang Yiwei. Het machtige politieapparaat versus een blinde boer. Daar kan geen New Yorkse reclamemaker tegenop, hoe goed hij ook wordt betaald door de Chinese communistische partij.

„Er is een kloof tussen de juridische praktijken op het platteland en de regels van de rechtsstaat, opgesteld door de centrale autoriteiten. Maar jullie westerse journalisten hebben ook een probleem, want jullie bekijken alle ontwikkelingen door jullie westerse bril. Jullie denken dat zo’n meneer Chen of iemand als Ai Weiwei het echte China vertegenwoordigen. Maar door naar één blad te kijken, zie je het bos nog niet.”

Nee, dat denken journalisten ook niet. Zij denken en zien wel dat er een grote kloof bestaat tussen de papieren wetten in fascinerend China en de praktijk; zij zien net als Chinezen zelf de grote kloof tussen het beeld (harmonieus land met een lange geschiedenis en een rijke cultuur) en de chaotische werkelijkheid van alle dag met corruptie en een groeiende tegenstelling tussen arm en rijk.

Imagomakers

Wang is gevoelig voor dat argument en erkent dat de „imagomakers” moeite hebben met het formuleren van een eenduidige boodschap. Welke waarden maken China zo aantrekkelijk? Is dat het oude, culturele China? Het nieuwe, ruigkapitalistische China? China als ontwikkelingsland met tal van praktische problemen of China als economische supermacht?

„We hebben niet één identiteit, we hebben er wel vier of vijf ”, denkt hij. Opvallend is dat hij niet ‘Het communistische China’ in dit rijtje opneemt. We lachen samen om de grap van de Amerikaan Zbigniew Brzezinski die onlangs suggereerde dat de partij haar naam moet veranderen van Communist Party of China in Capitalist Party of China of Confucianist Party of China. „De naam veranderen is heel moeilijk en in de praktijk doen we al totaal andere dingen. Typisch Chinees.”

De regisseurs van de publieksdiplomatie mijden dan ook iedere verwijzing naar de marxistisch-leninistische grondslag van de Volksrepubliek. De nadruk ligt op China’s diversiteit, de economie, de nieuwe architectuur, de schitterende infrastructuur de sport en de eeuwenoude cultuur. Hedendaagse kunst is vanwege het subversieve of seksuele karakter ook vaak onbruikbaar.

Lastige kwesties, zoals de milieuvervuiling, de rechtsstaat of de investeringen in de strijdkrachten, worden behandeld als „ontwikkelingsvraagstukken” of gebagatelliseerd. Als deze tactiek niet werkt, blijft er nog een optie over: an agreement to disagree en door vast te stellen dat er vele wegen naar Rome leiden.

‘Rome’ wordt dan gedefinieerd als een soort Confuciaanse ‘shining city on the hill’ in een wereld zonder oorlog, zonder honger, met internationaal recht en duurzame groei. Er moet nog een element aan toegevoegd worden: een wereld die niet door een supermacht wordt gedomineerd. Bedoeld wordt dan Amerika met zijn in Chinese ogen opdringerige ideeën over democratie en vrijheid.

Chinese imagomakers zijn het succesvolst in Afrika, het Midden-Oosten en Latijns-Amerika en het minst in de VS en delen van Europa. De Chinese investeringen hebben daar ook mee te maken. Dat positieve imago in delen van de wereld is ook af te meten aan het groeiend aantal buitenlandse studenten in China, onder wie 100.000 Afrikanen en Latijns-Amerikanen, en aan de spectaculaire groei van het aantal jonge Grieken, Spanjaarden, Fransen en Italianen in de Chinese metropolen. In de VS domineren angst voor banenverlies en een militair sterk China.

Of adverteren op Times Square en reclamestunts die angst voor de Chinese ‘bedreiging’ kunnen wegnemen is de vraag. Het gesloten politieke systeem, de mensenrechtenkwesties, de arrestaties van journalisten en advocaten wegen zwaarder dan de positieve beelden van lachende topsporters. „Dat maakt niet uit”, zegt Wang Yiwei. „Wacht maar, de wereld is veel sneller aan het veranderen dan westerlingen denken. En al kost het vijftig of honderd jaar, we hebben de tijd onszelf te hervormen en door anderen te worden geaccepteerd”.