Pim Fortuyn. De rebel die herstel van gezag eiste

Pim Fortuyn. Beeld VPRO

Sociale dienstplicht, strenge onderwijzers en straffende ambtenaren. Als politicus sprak Pim Fortuyn klare taal. Persoonlijk ging het in de pas lopen hem wat moeilijker af. Door de president van het Hof liet hij zich niet ‘autoritair de bek snoeren’, laat staan dat hij zich voegde naar organisatieculturen.

Dat begon al op de lagere school in het Noord-Hollandse Driehuis. Een katholiek instituut met overwegend meisjes. “Wij, de jongetjes, werden immer door de schoolnon gestraft, want als jongetje deed je al snel iets fout”, schrijft hij in Puinhopen van acht jaar paars. “Er werd geslagen dat het een lieve lust was en vooral de geestelijke terreur was weerzinwekkend.”

Tot Fortuyns ergernis praatte zijn vader het regime goed. “Als wij werden geslagen of geterroriseerd, dan hadden wij dat strijk en zet uitgelokt en dus verdiend!” Zijn moeder nam het voor hem op. “Eén keer zelfs met een stuk hout in de hand, waarmee zij de onderwijzer, die mij net ten overstaan van de klas voor de zoveelste keer stond af te tuigen, frontaal te lijf ging en voor een joelende klas springend over de banken achterna joeg.” Er was geen enkele reden voor straf, hield Fortuyn zijn leven lang vol. “Zelfs als ik wel mijn best had gedaan en de resultaten navenant waren, kreeg ik op mijn kop.”

Fortuyn: wij negeerden deze borden demonstratief

Aan de HBS in Haarlem-Noord, koestert Fortuyn betere herinneringen. “Een school die onder leiding stond van de in de verre omstreek beroemde pater Augustijn, rector Drs. L.V.J. Hutjens. Zonder na te zoeken dreun ik zo, veertig jaar na dato, zijn voorletters op.” Fortuyn eert Hutjens als “een kerel van stavast, een rechtlijnige man, krom is krom, recht is recht en beloofd is beloofd”. Waar Fortuyn de kleinschaligheid en sociale controle van zijn lagere school als “verstikkend” ervoer, daar roemt hij de HBS om eenzelfde organisatie. “Pater Hutjens was als een vader en een moeder. Zelden verliet een leerling zonder diploma de school, desnoods ging hij zelf bijles geven aan stomkop of dwarsligger.”

In de vierde klas mocht Fortuyn de pater zelfs tutoyeren. Anders dan op de lagere school, was het gezag hem ditmaal goedgezind. “We hadden een natuurlijk ontzag voor hem”, noemt Fortuyn dat. De Mammoetwet, die rigoureuze schaalvergroting van het middelbaar onderwijs voorschreef, maakte hier in 1967 volgens hem een einde aan. Het ministerie drong een psycholoog aan de HBS op, die Fortuyn diagnosticeerde als ‘een automaat waarin je een kwartje gooit voor een rolletje drop, maar die in plaats daarvan een rolletje pepermunt uitspuwt!’.

Het dringende advies luidde dat Fortuyn beter naar de ambachtsschool kon. Hutjens negeerde dat oordeel, zoals hij ook obstructie pleegde tegen andere plannen van het departement, wat hem uiteindelijk een zenuwinzinking bezorgde. In zijn afwezigheid veranderde het idyllische schooltje in een moloch. “Onmiddellijk werden er in de gangen verkeersregels ingevoerd en eenrichtingsverkeersborden geplaatst om de stroom leerlingen, bij de nu wel heel massale klassenwisselingen, in goede banen te leiden. Wij negeerden deze borden als hoogste klassers demonstratief.”

Fortuyn zou zich er altijd tegen blijven verzetten. De Middenschool, het Studiehuis - stuk voor stuk ondergraven ze het klassieke onderwijzerschap, meende hij. Een school, van basisschool tot faculteit, hoorde volgens hem niet meer dan 600 leerlingen te tellen. “Een gemeenschap met collectief beleefde normen en waarden en met een eigen cultuur en kleur. Onderwijs is immers niet, zoals zoveel van die onderwijstechnocraten denken, kennisoverdracht, maar vorming en nog eens vorming.”

Promotor van Fortuyn: zijn ideologie moest eruit, feiten erin

De ironie wil dat Fortuyn zichzelf altijd buiten het collectief plaatste dat hij voorstond, buiten de gemeenschappelijke beleving van normen en waarden. In De Volkskrant van 22 augustus 2001 herinnert oud-studiegenoot Ton Kee hem als een ‘volstrekt onafhankelijk iemand’. Te midden van marxistische studenten liep hij vaak in een driedelig pak en meed in het studentencomplex de gemeenschappelijke keuken en telefoon. In Fortuyns opvattingen herkende Kee zijn “arrogantie en enorme minachting voor anderen, die hij al snel minkukels vindt”. Een teamleider? Allerminst, aldus Kee die in 1974 de veel aangehaalde Wet van Pim bedacht: ‘Waar Pim komt, komt ruzie.’

Met die wet werd Fortuyn op 30 juli 1990 in NRC Handelsblad geïntroduceerd als directeur van de BV Studentenkaart. “Een omstreden operatie, geheel in de stijl van de door vriend en vijand als ‘kleurrijk’ getypeerde Fortuyn”, schreef de krant destijds. Aan bod komt zijn wetenschappelijke carrière bij de Groningse universiteit. “Hij kwam hier met betrekkelijk weinig geestelijke bagage, maar met een maximum aan arrogantie”, vertelde prof. dr. G. H. Harmsen, die Fortuyns proefschrift afkeurde. “Ik heb hem duidelijk kunnen maken dat je voor je promotie een proefschrift nodig had waarvoor je onderzoek moet doen. Zijn ideologie moest eruit, feiten erin.” In 1980 promoveert Fortuyn alsnog om vervolgens via het universiteitsblad een rel te ontketenen met zijn opvattingen over promoveren. Bij zijn afscheid, in juni 1988, noemt Harmsen hem een geestelijke terrorist die zestien jaar lang een spoor van vernieling door de universiteit had getrokken. “Hij heeft zich herhaaldelijk ten aanzien van andere medewerkers misdragen, mensen soms echt vernield.”

Politiek lag hem beter, zo was toen al duidelijk, maar in de praktijk kreeg hij ook daar geen voet aan de grond. CPN, PvdA, D66, CDA, VVD - niet zelden meldde hij zich aan met een manifest om vervolgens met knallende ruzie te vertrekken als zijn ideeën niet werden overgenomen, functies binnen de partijen kon hij vergeten. Ervaringen die hij al tijdens zijn Rotterdamse hoogleraarschap, begin jaren negentig, gebruikte om zich af te zetten tegen de ‘regentenkliek in onze elite-democratie’, een speerpunt in zijn latere verkiezingsstrijd. Eerst voor Leefbaar Nederland, die met Fortuyn brak wegens zijn stellingname tegen Grondwetsartikel 1, en later voor de Lijst Pim Fortuyn (LPF), waarin hij het eindelijk zelf voor het zeggen had.

Fortuyn: commissarissen moeten hun kritiek niet op de bühne spuien

Ook rechtstatelijk gezien is zijn houding tegenover gezag ambivalent. Fortuyns grootste critici erkennen dat hij de introductie van de OV-studentenkaart voortreffelijk heeft geleid. Maar ook in dat project - een opdracht van de minister - tartte hij de Nederlandse gezagsverhoudingen. Terwijl de kaart onderwerp van politieke onenigheid was, het parlement er nog aan sleutelde, schoffeerde Fortuyn in de media - als uitvoerder van beleid - de volksvertegenwoordigers.

De ruimte die hij als tijdelijk ambtenaar zelf nam, gunde hij andere ambtenaren niet. In De puinhopen rekent hij bijvoorbeeld keihard af met overheidsdienaren die hun mening uiten. “Als je op de grote monden afgaat van de politiecommissarissen, dan zijn alle politici minkukels en weten de hoofdcommissarissen het best hoe de veiligheid in ons land kan worden bevorderd. Zonder uitzondering spelen zij als het zo uitkomt de populist, die de onderbuikgevoelens vertolkt van ons volk en de beste relaties onderhoudt met De Telegraaf.” De toon werd in de jaren tachtig gezet door toenmalig hoofdcommissaris Eric Nordholt, benadrukt Fortuyn. “Hij heeft er zelfs een mediaprijs voor gekregen!” Nordholt besefte volgens Fortuyn onvoldoende dat kritiek niet op de bühne gespuid moet worden, maar “in eerste instantie aan burgemeester en minister gerapporteerd”.

Fortuyn: de rechter kapittelde mij als een brutaaltje

Het valt niet mee om een consistente lijn in Fortuyns kijk op gezag te ontdekken. Typerend is zijn ervaring in een rechtszaak, waarin een student de OV-Studentenkaart BV daagde. “Ik heb meegemaakt dat de president van het Hof te Den Haag, Mr. Van Delden, het in kort geding bestond mij de mantel uit te vegen over een onding als een verplichte OV-Studentenkaart. Een kaart nota bene bij wet ingevoerd! Zijn dochters hadden van hem een autootje gekregen en hadden deze nutteloze, opgedrongen kaart niet nodig. Ik tekende tegen deze vooringenomenheid protest aan, althans dat trachtte ik. Na drie woorden snoerde president Van Delden mij autoritair de bek. Ik, ook niet op mijn mondje gevallen, rondde desalniettemin mijn betoog rustig af. Uiteraard werden wij, na dit optreden mijnerzijds, door rechter Van Delden vol rancune veroordeeld.”

Vervolgens kreeg Fortuyn ook nog een standje van zijn eigen verdediging. “De landsadvocaat was hartstikke boos over mijn optreden, dat ik nog eens uitspon voor de verzamelde media: ik had namelijk de zaak bij zijn vriendje de president verloren! Wat mij buitengewoon irriteerde, was niet de veroordeling - het is immers de taak van de rechter om te oordelen - maar de publiekelijk geuite bevooroordeeldheid van Mr. Van Delden en dat dit ook zomaar kan. De rechter schaamde zich geenszins de oren van zijn kop, maar meende mij als een brutaaltje te moeten kapittelen.”

Zoals Fortuyn het hier beschrijft, was het optreden van de rechter geen zuivere koffie. Maar tussen de regels door lees je dat hij als een schooljongen tekeer is gegaan tegen één van de hoogste magistraten. Alsof hij nog op de lagere school in Driehuis zat en ditmaal weliswaar niet zijn moeder inschakelde om het gezag terecht te wijzen, maar wel de media.

Fortuyn: troetelende ambtenaar bewijst burger geen dienst

Dienstbaarheid is een centraal thema in Fortuyns werk en leven. Ziedend werd hij als een ober hem niet aankeek of het bestelde niet geleverd kon worden, zei zijn vriend en geldschieter Harry Mens onlangs in het AVRO-programma ‘Edwin zoekt Fortuyn’. Woede die hij in 1996 al eens abstraheerde in het boekje Mijn collega komt zo bij u - Dienstverlening in Nederland. Maar de burger moet volgens hem niet denken dat die klantopstelling ook opgaat in de verzorgingsstaat. “Rechten, rechten, ik heb recht op en nog eens recht op en de gemeenschap heeft daar maar voor te zorgen”, zo typeert hij de houding van de calculerende burger tegenover de sociale dienst. “De ambtenaar”, zo schreef hij, “vertelt er nimmer bij dat hij iets terug wil hebben, namelijk jouw ziel. Met een uitkering geef je een fundamenteel mensenrecht op: het recht op zelfbeschikking, het recht om je eigen broek op te houden.”

Alleen met een dergelijke strengheid worden uitkeringsgerechtigden als mens serieus genomen, meende Fortuyn. Juist door ze bij de lurven te pakken voorkom je volgens Fortuyn dat werklozen gedegradeerd worden tot “zielige, hulpbehoevende slachtoffers” die “wegkruipen in de armen van vadertje verzorgingsstaat”. Waar de burger als belastingbetaler de hoogste eisen mag stellen aan gezondheidszorg en veiligheid, daar moet hij zich van Fortuyn schikken als de staat in zijn onderhoud voorziet. Een spanningsveld dat hij in tegenstelling tot veel overheidsdiensten vroeg doorhad. In een poging om hun dienstverlening te verbeteren introduceerden zij namelijk de prikkel ‘klant’ en verloren daarmee uit het oog dat het niet wenselijk is als burgers zich te allen tijde gedragen als klanten, zeker niet in plichtsectoren.

In het artikel ‘Bang om de baas te zijn’ (Filosofie Magazine, mei 2012) geeft Thijs Jansen, onderzoeker aan de Universiteit van Tilburg, een verklaring voor het verhullen van de machtsdimensie in de klanttaal van de overheid. “De democratie is gestoeld op het wijze inzicht dat gezocht moet worden naar zoveel mogelijk vrijwillige binding aan de rechtsstaat. De vrije wil om zich te binden aan democratisch genomen besluiten en democratisch tot stand gekomen wetten. Zoals Rousseau in het Sociaal Contract schreef: ‘Aangezien geen enkel mens een natuurlijk gezag heeft over zijn gelijke en aangezien macht geen enkel recht voortbrengt, blijft dus de wederzijdse toestemming over als grondslag van ieder rechtmatig gezag onder de mensen.’ De kunst is te komen tot die binding. Daarvoor heeft Rousseau de fictie van ‘de algemene wil’ naar voren geschoven.” Rousseau stelde dat ‘alwie zal weigeren te gehoorzamen aan de algemene wil, er door heel het lichaam toe gedwongen zal worden. Dit betekent niets anders dan dat men hem zal dwingen vrij te zijn.’

‘At your service’-groet eerder militair dan populistisch

Hoewel de klanttaal nog welig tiert in overheidsland, mag het een erfenis van Fortuyn heten dat ambtenaren minder terughoudend zijn geworden in het toepassen van drang en dwang. Zolang je zelf geen werk hebt gevonden, wordt de uitkering gezien als een plicht om je maatschappelijk in te zetten, bijvoorbeeld koffie rondbrengen in een verzorgingstehuis. ‘Voor wat hoort wat’, daar zijn traditionele partijen het nu over eens.

Fortuyn ergerde zich echter vooral aan de houding van ambtenaar en burger – de klantbenadering schepte in zijn ogen onduidelijkheid over gezagsverhoudingen, terwijl het heel simpel is: een re-integratieconsulent die de werkloze streng toespreekt, levert een goede dienst aan samenleving én werkloze. Als politiek leider vroeg hij het mandaat om orde op zaken te stellen, terwijl andere partijen maar al te bang waren kiezers voor het hoofd te stoten.

Een misvatting, zo bleek uit Fortuyns populariteit. Niet voor niets ging Fortuyns ‘At your service’ gepaard met een militair saluut: als politicus sloeg hij de macht van de staat hoger aan dan het eigenbelang van de calculerende burger. Paradoxaal genoeg namen zijn tegenstanders juist die klantburger in bescherming, terwijl Fortuyn er niet voor schuwde een deel van zijn achterban van katoen te geven. “Wat zit er scheef in de bovenkamer van de uitkeringstrekker, dat hij kennelijk alleen nog het calculerende, materiële perspectief hanteert en het mentale perspectief geheel en al buiten beschouwing laat?”

In een minister- of gewoon Kamerlidmaatschap zag Fortuyn niets, vertelde hij een paar maanden voor zijn dood in een tv-interview dat de VPRO pas deze week uitzond. Hij sprak over een opdracht van God en het volbrengen van een missie. “Ik wil leiding geven aan de tent. Ik ben in een fase van mijn leven, binnenkort 54, dat ik niet meer onder een ander ga dienen.”

Volg @stevendejong op Twitter

Eerder in deze serie:
Gekken aan het roer. Helemaal niet zo’n slecht idee
Politiek heeft draaikonten nodig. Naar voorbeeld van Lincoln
Democratieën hebben baat bij een Koninklijk Huis
Nationalisme verdient erkenning, maar wakker het niet te veel aan
Tocqueville en de tirannie van de meerderheid
Politiek, schaf commissies af en zet de burger aan het werk