We hebben ook verzetsdaden van licht kaliber nodig

De opa van Frank Westerman bewaarde tijdens de Tweede Wereldoorlog het geld van zijn buren. Dit is wellicht geen grootse verzetsdaad, maar vele kleine daden kunnen helpen om het kwaad te bestrijden. Laat dit een les zijn om ook in de toekomst discriminatie te helpen voorkomen.

Mijn opa had een pistool. Hij bewaarde het in een doek in de slachtplaats, niet open en bloot, maar in een lade. Als kind heb ik het een keer vastgehouden. Koud en zwaar voelde het. Ik weet nog dat ik in het holletje wilde kijken, en dat ik de loop ook echt naar mijn gezicht toedraaide. Maar ik durfde niet.

„Dorst”, zou mijn opa hebben gezegd. Ik zou dat niet hebben gedorst.

Later, toen ik een jaar of tien was, vertelde mijn moeder dat mijn opa in een concentratiekamp had gezeten. De Duitsers waren de slagerij binnengekomen en hadden hem meegenomen. Hij moest via Rotterdam naar Vught. Kamp Vught.

Mijn moeder was een meisje van negen met vlechten, ze had zich aan haar moeder vastgeklampt.

’s Avonds in bed spoelde ik de film opnieuw af om een draai te kunnen geven aan de afloop. In mijn nachtelijke voorstelling kwam mijn oma, zodra de Duitsers de slagerij binnenvielen, vanachter de toonbank vandaan.

„Worst is op de bon”, zei ze met haar handen in haar zij. „Jullie krijgen geen worst.”

In de verwarring die ze stichtte, kon mijn opa zich nog gauw verbergen. Hij was achter, pakte zijn pistool en dook weg in de kokerij. Het was ineens geen slagerspistool meer met een slagpen, maar een echte met kogels. Zodra de soldaten de kokerij binnenkwamen, schoot mijn opa ze – beng! beng! – een voor een overhoop. Soms ook droomde ik dat hij eerst een ketel kokend water over ze heen kiepte en ze daarna beheerst afmaakte, zoals hij deed met het varken dat hij op maandagen meebracht van de markt in Rotterdam.

„Mart”, zeiden mijn opa en oma trouwens. Niet markt, maar mart.

Wat zijn de feiten?

Mijn opa, Gerrit Vervelde, is in juli 1943 opgepakt in Oud-Beijerland, aan de Westvoorstraat 16. Hij heeft tot 10 december in kamp Vught gezeten – als gevangene 6643, in barak nummer zeventien. Zo staat het op zijn registratiekaart.

Gehuld in een gestreepte overall had hij keien moeten verplaatsen van de ene naar de andere hoop en weer terug. Ooit heeft hij mijn moeder verteld over een barakgenoot die het werk niet aankon. De man was te ziek om ’s ochtends op het appèl te komen. Maar niet verschijnen was uit den boze, daarom hadden ze hem in een kruiwagen naar de appèlplaats geduwd. De man kreeg een schop tegen zijn benen, die slap over de rand hingen.

„Opstaan!”

Kamp Vught, officieel Konzentrationslager Herzogenbusch, viel rechtstreeks onder de SS in Berlijn, maar werd beheerd en bewaakt door Nederlanders. Het is dus waarschijnlijk dat er inderdaad gewoon „Opstaan!” heeft geklonken.

De gevangene probeerde het, maar hij miste de kracht om op zijn ellebogen te steunen en viel terug in de kuip. Hij stierf.

Lange tijd heb ik niet geweten waarom mijn opa in Vught had gezeten. Ik nam aan dat hij een held was. Dat hij verzetsdaden had gepleegd met gevaar voor eigen leven. Of tenminste: dat hij clandestien – boven op de rantsoenen – elke week wat extra vlees bezorgde bij gezinnen met onderduikers. De gedachte dat hij ook voor woeker of zwarthandel kon zijn gearresteerd, weigerde ik toe te laten.

Pas toen ik later zelf in een oorlog belandde – begin jaren negentig op de Balkan – begon ik mij bewust af te vragen of mijn opa iets moedigs of iets lafs had gedaan.

Het was ermee begonnen dat ik in 1992 als beginnend journalist – met een kogelvrij vest van de Harskampkazerne in mijn bagage – naar ex-Joegoslavië was verhuisd. Vanuit standplaats Belgrado berichtte ik over etnische en religieuze slachtingen die ik niet begreep. Ik vond dat ik onpartijdig moest blijven, anders was ik een waardeloze verslaggever. Het was immers niet mijn oorlog. Maar voor ik het wist zat ik er middenin.

Op een dag kreeg ik een tip: in de stationsbuurt was een jongen het kantoor van de Verenigde Naties binnengevlucht. Pedja heette hij. Negentien jaar. Zijn ouders zaten vast in het belegerde Sarajevo en hij weigerde vanuit de heuvels op ze te schieten. Of ik hem wilde interviewen.

Pedja had krullen en diepliggende ogen. Bij een bekertje koffie in het VN-kantoor vertelde hij over zijn angst te worden uitgeleverd aan de krijgsraad van generaal Mladic, als deserteur.

Ik gaf Pedja mijn visitekaartje en schreef diezelfde middag mijn stuk voor de krant.

’s Avonds ging de bel. Pedja. Met in elke hand een plastic tas. Hij vroeg om een slaapplaats voor de nacht. „Morgen ben ik weg”, zei hij. „Dan neem ik de bus naar Macedonië.”

Ik liet hem binnen en wees hem op de sofa. Pedja trapte zijn gympen uit, liep op kousenvoeten over het parket en zette zijn bezit aan het hoofdeinde van mijn bank.

De volgende ochtend vertrok hij naar Skopje, maar bij de eerste de beste politiecontrole werd Pedja uit de bus gehaald. Diezelfde middag stond hij opnieuw voor mijn deur.

Zo kwam het dat Pedja voorlopig bij mij bivakkeerde en dat hij op zaterdagen mee ging voetballen in het park bij de Donau. Dat was wat wij, buitenlandcorrespondenten, aan sport deden in Belgrado. Tussendoor maakte ik reizen naar het front, ik bezocht Sarajevo, sprak met slachtoffers en daders, en als ik dan weer thuiskwam, gedroeg Pedja zich steeds schichtiger.

‘Is er iets?”, vroeg ik hem op een avond. Dat mijn whisky van de taxfree op was, kon me niet schelen. Maar de papieren op mijn bureau lagen niet meer op volgorde.

Pedja begroef zijn gezicht in zijn handen. Na een hele poos zo te hebben gezeten haalde hij zijn vingers met kracht naar beneden, zodat er heel even witte strepen over zijn wangen liepen. Toen bekende hij dat hij mij, ons, de voetballende buitenlandcorrespondenten, bespioneerde.

De politie had hem niet alleen uit de bus gehaald, ze had hem ook uitgehoord en voor het blok gezet. Hij mocht gaan, op voorwaarde dat hij zich eens per week meldde met informatie over mij en mijn collega’s. Wie waren onze bronnen, wat stond er op onze agenda? Werkte hij niet mee, dan zou hij alsnog worden uitgeleverd aan de krijgsraad van generaal Mladic.

Ik probeerde voor mezelf na te gaan of er iemand door Pedja’s toedoen in gevaar was gebracht. Kort tevoren had mijn Servische tolk me door de omsingeling van Srebrenica gesmokkeld. Ik had de wanhoop en het gebrek gezien van de samengedreven moslims van Oost-Bosnië – tienduizenden in een afgesloten dal. Op de terugweg uit dit getto waren mijn tolk en ik opgepakt door de Bosnisch-Servische belegeraars en geïntimideerd door het schoolhoofd van Bratunac, meester Nikolic. Het voelde alsof we in een fuik waren gezwommen. Mijn tolk werd uitgemaakt voor landverrader die moest worden „afgericht”. Nikolic was een inlichtingenman voor wie wij toen al sidderden en die nu in Scheveningen een celstraf uitzit van 27 jaar – voor zijn aandeel in de massamoord van Srebrenica.

Zelfs toen we uiteindelijk mochten vertrekken, was mijn tolk doodsbang dat Nikolic – bij wijze van ‘afscheidsgroet’ – een paar gerichte of ongerichte schoten op onze auto zou afvuren.

Was het Pedja die ons had verlinkt?

Ik weet het niet.

Misschien was het naïef van me geweest om hem in huis te halen. Toch heb ik er nooit spijt van gehad. Hij belde aan, ik liet hem binnen. Soms doe je dingen in een impuls. Soms omdat het je boerenplicht is. Soms omdat je geen nee durft te zeggen. Misschien gold iets soortgelijks voor Pedja. Hij zei dat hij niet wilde moorden en plunderen – dat hij daarom was gevlucht. Maar waarschijnlijk was hij ook gewoon bang voor zijn eigen leven.

Het motief voor de dingen die we doen, is denk ik zelden eenduidig. Maar elke daad heeft wel altijd een bepaald gewicht, en dat gewicht kan twee kanten op neigen: naar moedig of naar laf.

Mijn opa Gerrit heeft zich in de zomer van 1943 niet tegen zijn arrestatie verzet, hoe graag ik dat als kind ook had gewild. Er was om te beginnen geen enkele Duitser de slagerij binnengedrongen. Het waren Nederlanders, NSB’ers van het dorp. Ze hadden een arrestatiebevel bij zich en zeiden dat mijn opa geld beheerde van onderduikers, om precies te zijn van het opgepakte gezin Koopman. Zonder iets te zeggen, had mijn opa het opgeëiste geld achter het wandkleed in de eetkamer vandaan gehaald. Hij had zijn kiel verwisseld voor een jas en was meegegaan.

De familie Koopman – vader, moeder, drie kinderen – woonde aan de Westvoorstraat 11. Voor de oorlog hadden ze een spaar- en leenbank, die Koopman heette. Ze kochten hun rosbief en runderlapjes bij mijn opa en oma, die op hun beurt een rekening hadden bij de Koopmanbank. Middenstanders onder elkaar.

„Ze hadden moeten emigreren toen het nog kon”, heb ik een van mijn ooms ooit horen zeggen. „Geld zat.”

Maar ze doken onder. Vader Koopman was op een dag de winkel binnengestapt en had mijn opa apart genomen bij het hakblok. Hij had een envelop met geld bij zich en vroeg of zijn buurman die voor de duur van de oorlog in bewaring wilde nemen. Op gezette tijden zou er iemand met een codewoord om vragen, om er iets uit te halen. Mijn opa had de envelop woordeloos aangenomen.

Zo was het gegaan: een buurman in het nauw duwde hem een envelop in handen, en die pakte hij aan. Voor deze handeling had mijn opa vijf maanden lang het schrikregime van Kamp Vught moeten doorstaan, en mijn oma, mijn ooms en mijn moeder de kwellende onzekerheid of ze hem ooit nog zouden terugzien.

Afgetekend op de schaal van het oorlogsleed zijn dit krasjes, schrammetjes. Maar het is niet het hele verhaal. Ook het lot van de familie Koopman is op een registratiekaart vastgelegd.

Ik lees voor:

Hartog Koopman

Oud-Beijerland, 24 november 1889

Sobibor, 9 juli 1943

Helena Koopman-Hamme, echtgenote

Den Haag, 6 juni 1891

Sobibor, 9 juli 1943

Franciska Koopman, dochter

Oud-Beijerland, 7 september 1919

Sobibor, 9 juli 1943

Johanna Marie Koopman, dochter

Oud-Beijerland, 9 februari 1922

Sobibor, 9 juli 1943

Meyer Koopman, zoon

Oud-Beijerland, 2 oktober 1924

Sobibor, 9 juli 1943

Ze hadden op twee adressen ondergedoken gezeten, in Delft en Rotterdam.

Wij gedenken hen. Elke vierde mei – zolang er meimaanden zullen zijn. Samen met honderdduizenden anderen: slachtoffers van geweld in Nederland en ver daarbuiten, in de Tweede Wereldoorlog en daarna.

Gedenken is meer dan stilstaan. Het is ook: positie bepalen, de koers herijken en zo nodig aanpassen – om er zeker van te zijn dat we niet afstevenen op een volgende oorlogsramp. De grootste dreiging van dit moment is dat de lading kan gaan schuiven, met als kroonjuweel, als het kostbaarste wat we bezitten: artikel 1 van de Grondwet:

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Het plechtig en collectief uitspreken van de bezwering ‘nooit meer Auschwitz’ is niet genoeg. Er wordt de laatste tijd weer gemorreld aan de kabels.

Willen we dat? Laten we het gebeuren? Doen we er wat tegen?

Dit is hoe ik het zie:

Door zijn buurman bij te staan, heeft mijn opa Gerrit – hoe miniem ook – weerstand geboden aan de ‘eigen volk eerst’-dictatuur van ’40-’45, zoals Pedja zich in 1994 op de Balkan tegen de ‘eigen volk eerst’-waanzin heeft verzet door te deserteren. Daden van licht kaliber misschien. Toch zijn ze belangrijk, omdat vele lichte daden bij elkaar de balans kunnen doen doorslaan.

In de slagerij van mijn opa en oma stond een ouderwetse weegschaal met losse, koperen gewichtjes van een kilo, een pond, een ons – tot en met kleintjes van vijf gram. Als er straks in Europa opnieuw groepen mensen door het ‘eigen volk eerst’-denken overboord dreigen te vallen, aan welke kant plaatsen we dan onze gewichtjes? Hellen we mee, of bieden we tegenwicht?

Frank Westerman is schrijver.

Post Scriptum:Na zijn bekentenis is Pedja verhuisd naar een appartement waar mijn tolk al een aantal van zijn gevluchte familieleden had ondergebracht. Pedja is daar verliefd geworden op een nicht van mijn tolk. Nog tijdens de oorlog zijn ze geëmigreerd naar Canada. Ze zijn getrouwd, wonen in Toronto en hebben drie kinderen.