Veel pillenstudies zijn voer voor de prullenbak

De medische onderzoekspraktijk lag deze week zwaar onder vuur. ‘Het is de vraag of de klinische-onderzoeksindustrie voldoende hoogkwalitatief bewijs levert om het vertrouwen in medische richtlijnen te kunnen handhaven.’ Dat schreven zes Amerikaanse onderzoek als slotconclusie van hun artikel waarin ze bijna 100.000 op ClinicalTrials.gov geregistreerde onderzoeksprotocollen analyseerden. Hun artikel stond afgelopen woensdag in het Journal of the American Medical Association.

De meeste geregistreerde onderzoeken met patiënten zijn klein. Aan 62 procent van de onderzoeken doen minder dan honderd patiënten mee.

Een klein onderzoek is niet altijd slecht, want een goede nieuwe therapie geeft ook met weinig patiënten een statistisch zekere uitkomst. Maar dat is niet de praktijk. Twee commentatoren die harder oordelen dan de onderzoekers merken op dat aan bijna de helft van die kleine onderzoeken eigenlijk meer patiënten mee hadden moeten doen. Maar dat beoogde aantal was nooit gehaald.

Onderzoeken waar patiënten aan meedoen, worden tegenwoordig van tevoren geregistreerd. De eerste registers daarvoor ontstonden in 1997, maar bleven angstig leeg. Nog in 2000, schrijven de commentatoren, verklaarden vertegenwoordigers van de farmaceutische industrie dat ze nooit hun onderzoeksprotocollen vooraf zouden deponeren in openbare registers. Dat veranderde toen de redacties van de belangrijke wetenschappelijke tijdschriften in 2004 besloten om niet-geregistreerde onderzoeken niet meer te publiceren. In 2007 legde een Amerikaanse wet strengere regels op.

Er is sinds die tijd wel wat verbeterd. Er wordt vooral completer geregistreerd. Maar er ontbreken nog zo veel gegevens (bijvoorbeeld het primaire doel van een onderzoek, in 7 procent van de gevallen), dat het niet gek zou zijn om ook strafbepalingen in die wet op te nemen. Vinden de commentatoren.