Undercover op jacht naar leugenaars

Psychologie Hoe kom je erachter of iemand een aanslag voorbereidt? Vraag of hij op de foto wil.

Ellen de Bruin

Het moet voor de proefpersonen in het onderzoek van Aldert Vrij en collega’s (universiteit van Portsmouth, Groot-Brittannië) soms voelen alsof ze in een spionagefilm spelen. De ene keer moeten ze pakjes die onderschept kunnen worden door ‘de tegenpartij’ van de ene plek naar de andere brengen, de andere keer moeten ze op het vliegveld liegen over de bestemming van hun vlucht.

In Vrijs nieuwste onderzoek (zojuist gepubliceerd in Psychology, Public Policy, and Law, mei 2012) gaf hij zijn proefpersonen de opdracht te onderzoeken wat de beste plek zou zijn om een nepbom neer te leggen om een muziekfestival op het Isle of Wight zo grondig mogelijk te verstoren: in de aankomst- en vertrekterminals van de hovercraft naar het eiland of op de hovercraft zelf. Als iemand iets vroeg, moesten ze doen alsof ze een gewone toerist waren. Dit alles om te onderzoeken hoe mensen die liegen over wat ze van plan zijn, verschillen van mensen die de waarheid spreken en hoe je daar het beste achterkomt. Zijn nieuwste oplossing voor die laatste kwestie: undercover ondervragers.

Leugendetectie bij mensen die (nog) niets verkeerd hebben gedaan is een jong onderzoeksterrein, een paar jaar geleden gestart door de groep van Vrij. Het idee is dat het minstens even belangrijk is om potentiële terroristen op leugens te kunnen betrappen als reeds gepakte verdachten. Vrij is er verder van overtuigd dat leugendetectiemethoden die ervan uitgaan dat leugenaars nerveuzer en angstiger zijn dan mensen die de waarheid spreken, niet werken. Ook wie eerlijk is, kan immers nerveus zijn tijdens een ondervraging: angstig om niet geloofd te worden, nerveus om het goed te doen.

Zo kwam het team van Vrij op het idee om mensen undercover te ondervragen over wat ze van plan zijn. Daar worden mensen die kwaad in de zin hebben waarschijnlijk zenuwachtiger van dan eerlijke, goedwillende burgers. En: zo kún je potentiële terroristen überhaupt ondervragen. Zonder echte verdenking krijg je ze niet mee naar het bureau.

In het nieuwe onderzoek vroegen de psychologen 43 vrijwilligers (studenten en medewerkers van de universiteit) om terroristje te spelen. Ze kregen de eerdergenoemde Isle of Wight nepbom-opdracht en een toeristische folder van het eiland om een smoes te verzinnen voor hun aanwezigheid. In de terminal werden ze benaderd door een undercover ondervrager (die verder weinig wist over het onderzoek). Die vroeg hun ofwel of hij een foto van de deelnemer mocht maken (‘ik ben amateurfotograaf, ik wil oefenen’), ofwel hij vroeg hun mee te doen aan een toerismeonderzoek. En passant vroeg hij wat ze gingen doen en hoe laat ze terug zouden gaan.

De undercovermedewerker ondervroeg ook 47 echte toeristen. En die verschilden in allerlei opzichten van de ‘terroristen’. De ‘terroristen’ wilden minder vaak op de foto (60 procent tegen 81 procent van de toeristen). De meeste toeristen (88 procent) zeiden hoe laat ze de boot terug zouden nemen, de meeste ‘terroristen’ (70 procent) praatten daar wat omheen. De ‘terroristen’ konden ook de toeristische attracties die ze zeiden te willen bezoeken minder exact op de kaart aanwijzen dan toeristen, en ze noemden minder dingen die ze van plan waren op het eiland te gaan doen. Die vragen waren gedetailleerder dan de smoes die ze hadden verzonnen.

Vrij en zijn collega’s hebben niet precies berekend hoeveel leugenaars ze met deze methode correct zouden kunnen aanwijzen, maar de verschillen zijn fors. De psychologen zouden nu graag onderzoeken of potentiële terroristen in het echt ook zo coöperatief zijn, omdat ze anders verdacht lijken, of dat ze zich toch liever aan zo’n ‘ondervraging’ onttrekken. Het is in elk geval niet erg dat een deel van de deelnemers studenten waren, schrijven ze: in het Verenigd Koninkrijk zijn verschillende gevallen bekend van studerende terroristen.