Samen afgaan? Adembenemend leuk

In het Betty Asfalt Complex in Amsterdam probeert cabaretier Sara Kroos met collega’s voorzichtig een improvisatietoneelinitiatief uit. Wel drie televisiemaatschappijen toonden al belangstelling.

De allerleukste scène, tot nu toe? Dat vindt cabaretier Sara Kroos die keer dat het haar collega Peter Heerschop maar niet lukte erachter te komen dat hij Kermit de Kikker was, en dat hij net in een persconferentie bekend had gemaakt dat hij de broer was van Andries Knevel. Het publiek wist het en snapte de hints; hij niet.

Het is een klassiek improvisatietheaterspelletje, ‘de persconferentie’: terwijl Heerschop even de gang op was, had Kroos aan het publiek gevraagd ‘wie hij was’ en wat hij zojuist ‘bekend had gemaakt’. Vervolgens bestookten ‘journalisten’ in de personen van actrice Georgina Verbaan, cabaretier Thomas van Luyn en Kroos zelf hem met vragen, waaruit hij zijn identiteit moest raden en de reden van zijn aanwezigheid. Verbaan, droogjes: „Het is niet gemakkelijk, hè?” – ‘groen zijn’, begrepen de mensen in de zaal wel en Peter Heerschop niet. It’s not easy, being green. Heerschop ging steeds hulpelozer kijken: wie bén ik, wat doe ik hier? De zaal schaterde.

Het is nog aftasten, een beetje proberen, benadrukt Kroos als ze het over haar nieuwe improvisatietheaterinitiatief heeft. Work in progress, we doen maar wat. Toch zat bij de tweede en derde keer, in februari en maart, het Betty Asfalt Complex in Amsterdam afgeladen vol. Ook hebben al drie tv-maatschappijen belangstelling getoond – nee, ze mag niet zeggen welke. Tot de zomer staan ze nog maandelijks in Betty Asfalt (aanstaande maandag voor de vijfde keer), in wisselende samenstelling. Tot nu toe waren steeds Kroos en Van Luyn en meestal Verbaan erbij, aangevuld met Annick Boer, Pieter Derks, Peter Heerschop, Dolf Jansen, Jörgen Raymann en/of Leon van der Zanden. Voor de zomer moet de samenstelling vastliggen. Nu ligt eigenlijk alleen de naam vast: ‘In Goed Gezelschap’. „Omdat wij een goed gezelschap zijn en de mensen zijn bij ons in goed gezelschap.”

„Ik hou heel erg van improviseren”, vertelt Kroos aan de telefoon. „Ik doe het ook in mijn eigen voorstellingen. Zo ontstond het idee om met een clubje bevriende collega’s te improviseren op de maandagavond, de avond dat je meestal niet speelt. Ik heb eerst Thomas van Luyn gebeld.” Handig, want die kan razendsnel in allerlei muziekgenres improviseren op de toetsen. En muziek is een belangrijk onderdeel van de voorstellingen, herhaalt Kroos een paar keer. „We doen veel met muziek en taal.” Dat, onder meer, onderscheidt In Goed Gezelschap van improgroep de Lama’s, waar Kroos eerder bij zat.

Georgina Verbaan was de volgende: „Een groot komisch talent.” Nu is er een tiental mensen bij betrokken. De voorstellingen bestaan uit een reeks improvisatiespelletjes, deels klassiekers („uit de improbijbels, zoals die van Keith Johnstone”), deels nieuw. De formats liggen vast, de inhoud is nog open. Die wordt ingevuld via vragen aan het publiek of een draai aan zoiets als een ‘locatie-relatie-rad’, dat willekeurig relaties en locaties uitspuwt.

Een klassieker is bijvoorbeeld het detectiveverhaal waarbij twee spelers een scène tegen elkaar spelen en zich steeds in terzijdes richten naar het publiek. Zoals ‘ze had gelukkig niets door’ – vooral geestig als duidelijk is dat de tegenspeelster alles doorheeft. Nieuw is ‘de troubadour’: een lofzang op een door het publiek geroepen beroep van drie lettergrepen, waarin de spelers om beurten een ter plekke bedachte regel moeten zingen op de wijs van het lied van Lenny Kuhr. Alle regels moeten rijmen; wie het niet lukt is af. Voor wie het impro-genre niet kent, klinken zulke spelletjes misschien als iets om een kinderfeest of bedrijfsuitje op te fleuren (en dat kan ook best). Maar in handen van ervaren acteurs en cabaretiers wordt het adembenemend grappig – de zaal zucht van opluchting als het nog lukt om een ongebruikt rijmwoord te vinden op ‘de machinist’.

„Voor mij is de kick het samen spelen”, zegt Kroos. „Dat je nooit weet wat de ander doet, en je moet wel méé.” Want de gouden regel van het improvisatietheater is: niets weigeren – als een medespeler iets acteert (‘we moeten naar dat verjaarspartijtje’), kun je niet zeggen dat het anders zit, ook niet om een lach te krijgen. Dat slaat de scène dood. „Dat je niet weet waar het naartoe gaat, dat je je het jezelf moeilijk maakt, de grote concentratie, dat vind ik allemaal erg leuk. En het mogen afgaan, ik vind afgaan helemaal niet erg.”

Mag dat ook nog als het straks op tv zou komen, of wordt het dan veel gelikter? „Nee hoor. Ik vind het interessant om te zien hoe spelers worstelen en ik vind ook dat dat gezien mag worden. Dus dat blijft zo. En de pret zal ook blijven – we hebben heel veel lol met zijn allen.”

Ellen de Bruin