Plotseling dacht ik: wat doe ik hier eigenlijk?

Vijf dagen lang zat schrijfster Maartje Wortel met drie anderen opgesloten op een Amsterdamse onderduiketage. Wat gebeurt er als je op zo’n historische plek je vrijheid opgeeft? „Ik miste het contact, gewoon.”

Donderdag 26 april

Mijn broer belde. „Ben je gek of zo? Je gaat toch niet met Koninginnedag onderduiken?”

„Jawel”, zei ik. En ik wist niet of ik me voor mijn broer moest schamen of voor mezelf.

Vrijdag

Voor een afspraak moest ik in de buurt van het Leidseplein zijn. Ik zette mijn fiets tegen een voorgevel. Toen ik terugkwam van de afspraak was mijn fiets weggehaald. Een voorbijganger zei: „Ze hebben hem meegenomen.”

„Ja”, zei ik.

De voorbijganger wees naar een bord waarop stond dat alle fietsen die fout geparkeerd stonden, meegenomen zouden worden naar het fietsdepot. Regels zijn regels. Dankzij de regels kunnen wij ons zowel vrij als onvrij voelen. De vrijheid van de groep betekent niet per definitie hetzelfde als mijn vrijheid als individu. Mijn fiets stond nu tussen honderden andere fietsen ergens in Amsterdam-West. Omdat mijn fiets een speciale code heeft, vond ik het ding zo terug.

Zaterdag

Een van de gasten die volgende week bij de Amsterdamse onderduiketage van Castrum Peregrini langskomt is Zygmunt Bauman. Ik kocht zijn boek Vloeibare tijden om me in te lezen. Bauman zegt dat vrijheid en onzekerheid hand en hand gaan.

In de driedelige VARA-documentaire Vrijheid, gelijkheid en broederschap wordt er ook over de beklemming van keuzevrijheid gesproken. Omdat we denken te kunnen zijn wie we willen zijn, weten we steeds slechter wie we nou eigenlijk zijn. Met zoveel mogelijkheden hebben we constant het gevoel de verkeerde keuze te maken.

’s Avonds had ik een feestje bij twee vrienden. Ik sprak in de keuken met de vader van mijn vrienden. Ik vroeg wat vrijheid voor hem betekende. Ik ben vergeten wat hij zei. Ik weet nog wel dat hij zei: „De jeugd beseft niet hoe mooi zij is.”

Zondag

Misselijk van het feestje van zaterdag.

Koninginnedag

Amsterdam, 9:30. Het Koninginnedagfeest is nog niet echt begonnen, wel klinkt overal al housemuziek. Een man deelt oranje hoedjes uit en op de stoepen staan kraampjes, liggen kleedjes of er staat in grote letters: BEZET. Iedereen neemt zijn eigen plek in. De stad kleurt langzaam oranje. Tegelijk met Dirk van Weelden en Jean Tillie kom ik aan bij Herengracht 401. We lopen naar de derde verdieping, de onderduiketage.

De etage staat vol met boeken uit de negentiende eeuw; kasten vol Goethe, Dante en Nietzsche, een dodenmasker van Napoleon. Er staat een pianola waar het binnenwerk uit gesloopt is zodat iemand zich binnenin de pianola kon verstoppen.

De rest van de week krijgen we gasten, maar vandaag zijn we de hele dag met zijn vieren (ook met Jeroen van Kan). We hadden weinig te doen dus deden we niets. We keken uit het raam. Niemand zag er echt vrolijk uit. De mensen waren vooral onderweg. Onderweg naar ergens anders. Ikzelf kon nergens heen en door die beperking voelde ik me (nu nog) vrij, vooral op Koninginnedag.

Dinsdag

Als je met zijn allen in zo’n kleine ruimte zit, zijn er altijd mensen die meer ruimte innemen dan anderen. Ruimte is misschien zelfs vooral degene die hem inneemt. Ook tijdens de nacht waarin hevig gesnurkt werd. ’s Ochtends vroeg word ik wakker van geveeg met bezems; alle troep die er tijdens Koninginnedag gemaakt is, wordt weer voor ons opgeruimd. We willen geen bemoeienis van de overheid tot we geen bemoeienis meer krijgen, want zelfs bemoeienis schept een voorwaarde voor (zowel positieve als negatieve) vrijheid– Locke: „Als er geen wet is, is er geen vrijheid.”

Jean Tillie wordt tijdens de lunch gebeld door zijn vader. Er is droevig nieuws; zijn moeder ligt op sterven en hij moet onmiddellijk het huis uit. Hij mist daardoor de gast van de dag: Paul Auster.

Woensdag

Gisteravond kon ik niet slapen. Plotseling overviel me een beklemmend gevoel. Ik dacht: ‘Wat ben ik hier eigenlijk aan het doen?’ Alle gesprekken die we voor de radio gemaakt hadden, waren interessant maar vooral ook heel algemeen en abstract. Ik miste plotseling het contact, gewoon. Een concreet gesprek, van mens tot mens. Over wie de ander is, bijvoorbeeld. Ik merkte dat ik, om mee te doen met de groep, ook in algemeenheden begon te praten en een blokkade voelde om binnen die groep mezelf te zijn. Terwijl je moet beginnen van binnenuit.

Als je geen reflectie kent, dan kan je ook niet naar buiten kijken. Alles blijft op die manier een vage vlek. Sowieso stellen mensen elkaar weinig vragen, terwijl begrip daarmee begint. Ik twijfelde of ik er iets over moest zeggen tegen de anderen. Wanneer je je eigen (individuele) vrijheid neemt om zoiets te zeggen, ontneem je iemand anders de individuele vrijheid en dat is riskant binnen een groep, mede omdat we bang zijn om buitengesloten te worden.

Uiteindelijk hebben we gepraat, dat gaf lucht, ruimte, nieuwe vrijheid. Als je opgesloten zit, gebeurt er in het klein wat in de wereld in het groot gebeurt: je moet elkaar steeds opnieuw proberen te begrijpen.

Donderdag

De kunstenares Amie Dicke heeft een stoel vanuit de onderduiketage verwisseld met een stoel uit Haus der Kunst in München. Wij noemen de stoel ‘Hitler stoel’, en je kunt er niet op zitten omdat je er anders doorheen zakt. De grote vraag is natuurlijk: is een stoel schuldig? (True/False?) Wat opvalt: de stoel staat altijd in een hoek waar we hem niet goed kunnen zien, maar we praten opvallend vaak en veel over het meubelstuk.

Vrijdag 4 mei

Zygmunt Bauman (87) komt ons ’s ochtends een bezoek brengen. Hij praat en rookt onafgebroken. Los van wat hij ons allemaal te vertellen heeft, ben ik ook onder de indruk van zijn voorkomen.

Om vier uur zit het project erop, we kunnen naar buiten. Zelfs binnen vijf dagen zonder absolute noodzaak doet het ‘opgesloten zitten’ veel met een mens. De belangrijkste vrijheid is dat we kunnen gaan en staan waar we willen, wanneer we dat willen.

Arthur Schopenhauer schrijft: „We zijn gewend bij de aanblik van alles wat we niet hebben te denken: ‘Hoe zou het zijn, als dat van mij zou zijn? En daardoor maken we het ontbreken ervan voelbaar. In plaats daarvan zouden we bij wat we bezitten vaak moeten denken: ‘Hoe zou het zijn, als ik dit zou verliezen?’ ”