Met minieme gebaren de ratten laten knagen

Hoe neemt een dirigent zijn orkest overtuigend op sleeptouw? Drie jonkies gingen in de leer bij chef-dirigent Mariss Jansons.

Nederland, Amsterdam, 04-05-2012 Chef dirigent van het koninklijk concertgebouw orkest Mariss Jansons geeft een masterclass voor drie jonge dirigenten met het concertgebouw orkest in de grote zaal van het concertgebouw. Op de foto het jonge talent Alexander Prior die tips en aanwijzingen krijgt van Jansons. foto: Bram Budel Bram Budel

Wat is toch het geheim van een goede dirigent? Zijn eerste en belangrijkste taak is om nauwkeurig de maat te slaan, zodat de vele tientallen orkestleden in de pas blijven. En een muzikaal onderlegd orkest kan de rest toch grotendeels zelf wel invullen?

Deze opvatting werd deze week tijdens een aantal masterclasses in het Amsterdamse Concertgebouw door Mariss Jansons stevig ontkracht. De kernvraag die de chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest zich telkens weer stelt: muziek is abstract en noten zijn maar tekens. Hoe moet de sfeer en de gedachte achter die noten worden geduid en opgeroepen?

Niet dat Jansons zich op donderdagochtend tegenover drie jonge dirigenten, door hem uit tachtig aanmeldingen persoonlijk geselecteerd, verliest in vage filosofieën. Dirigeren is in de eerste plaats een kwestie van praktische inzichten. Hoe repeteer je efficiënt met een toporkest als het Concertgebouworkest? De 22-jarige Chinees Yu Lu komt schuchter op, maar de concertmeester krijgt een handje. ‘Good start!’ roept Jansons.

Dat Yu Lu zich soms in emotionele gebaren kan verliezen, blijkt bij het repeteren van het eerste deel van Berlioz’ Symphonie fantastique. Met zijn lange lijf gebogen over de lessenaar houdt de dirigent zijn ogen gesloten, kijkt hij bij vlagen zwijmelend omhoog en leiden zijn brede gebaren tot onnauwkeurigheid. Het resultaat klinkt desondanks nuchter.

Op Jansons vraag „hoe vond je het begin”, mompelt Yu Lu „te luid”. Jansons geeft een eerste geheim prijs: „Je kunt het inderdaad letterlijk zo uitleggen. Maar je kunt ook meer je verbeelding gebruiken, in woord en gebaar.” Waarop de grootmeester voordoet hoe een klein horizontaal gebaar beter de spanning vasthoudt dan Yu Lu’s strakkere verticale bewegingen. En Jansons demonstreert hoe je een generale pauze spanning geeft: neem een doodstille en toch met energie geladen houding aan, en het orkest zal ademloos afwachten.

Jansons weet hoe het voelt om een jonge directiestudent te zijn. Als 25-jarige kreeg hij in Leningrad in 1968 zelf een masterclass van Herbert von Karajan. Van deze legende leerde Jansons naar eigen zeggen veel over klankkwaliteit en brede melodielijnen. Belangrijkste les: Zit als dirigent het orkest niet in de weg. Een unieke ervaring. Dus zal het hebben geholpen dat Jansons Karajan daarna mocht assisteren in Salzburg: pas bij veelvuldige lessen en repetities beklijft er iets.

IJzeren discipline werd Jansons daarnaast bijgebracht door de strenge Jevgeni Mravinski. Van 1972 tot 2000 gaf Jansons zelf les aan het conservatorium van Sint-Petersburg.

Autoritair

Zo autoritair als zijn eigen leraren blijkt Jansons in elk geval niet. Bij masterclasses kan een leraar makkelijk in de verleiding komen de toeschouwers te vermaken ten koste van zijn kwetsbare pupil. Dat is niet Jansons’ stijl. „Mag ik iets voorstellen”, onderbreekt hij bij herhaling quasi-bescheiden zijn leerlingen, die hij overigens alle ruimte geeft om lange passages met het Concertgebouworkest te repeteren. Voor hen is de masterclass immers ook een kans om met dit topgezelschap te werken. De chef tipt: „Een fantastisch orkest moet je tot het uiterste uitdagen, de mogelijkheden tot muzikale expressie zijn immers eindeloos.” Via tv-schermen in de Grote Zaal kan het publiek de kleinste gebaren volgen.

De technisch keurige Hongaarse dirigent Gergely Madaras (1984) opteert met een constante glimlach voor de positieve benadering. Jansons beaamt: „Je bent een heel aardige kerel.” Maar wat vindt Madaras van het begin van Berlioz’ Un bal, het tweede deel van de Symphonie? Toch zeker veel te hard? Waarna een praktisch advies volgt. Onderbreek het orkest niet elke vier maten, maar laat ze langer spelen en laat vooral inzien wat je wilt horen, in plaats van het telkens uit te leggen. Jansons neemt het stokje even over, verleidt met minieme gebaren de violen tot fluweelzacht spel en zweept de ritmische hartenklop in de lage strijkers flink op. Zó doe je dat.

Jansons vertelt daarna nog een geheim. „Je moet het gevoel hebben dat het hele orkest vlak om je heen zit, dat ook de achterste lessenaars om je middel hangen. Als je het orkest eenmaal voelt, moet je ze vervolgens leiden. Druk je wensen uit in ondubbelzinnige gebaren.”

Maar hoe beperkt een les van een uur ook is, als Madaras nog één keer het begin van Un bal aanheft klinkt er meer sfeer en spanning, zijn de dynamische contrasten groter en de overgangen soepeler. Jansons knikt goedkeurend.

Triolen

Getalenteerd lijkt de Brit Alexander Prior (1992), die binnenkort als assistent bij de English National Opera begint. Eigenwijs is hij ook: bij de Song d’une nuit du sabbat, de finale van de Symphonie, tikt hij het orkest ondanks Jansons’ eerdere waarschuwingen meteen twee keer af. Jansons verbetert geduldig: laat het orkest eerst aan je wennen. Ondanks zijn gretige houding leidt Prior het orkest wat moeizaam langs de meest theatrale passages van deze groteske muziek. „Denk niet te veel na over die triolen”, onderwijst hij de violisten. Jansons onderbreekt weer. „Wat bedoel je, niet te veel nadenken? Ze moeten juist heel goed beseffen wat ze spelen. Hier wil je het geluid van knagende ratten horen, waarna het koper schaterlachend duivels commentaar levert. Oftewel: leg uit welk plaatje je voor ogen hebt, en bewijs het tijdens het dirigeren.”

In kleine woorden en gebaren heeft Jansons zijn eigen muzikale genialiteit aan het eind van de les dan al ruimschoots aangetoond. Over ‘het mysterie van het dirigeren’ geeft hij zondagmiddag nog een lezing in het Concertgebouw. Maar de grootste demonstratie komt volgende week, als Jansons zijn orkest leidt in een programma met muziek van Richard Strauss.

Lezing: 6/5, 15u Concertgebouw. Concerten Martiss Jansons: 9 en 10/5. Masterclasses op tv: 25/6 en 2/7, Ned. 2.