Column

Huiveringwekkende gevolgen van de pensioencrisis

„Volgens de televisiedocumentaire Het pensioensprookje blijft er voor de jongere generatie weinig pensioen over, omdat de ‘grijze golf’ flink uit de pot zal snoepen, terwijl men de pensioenpremies niet eindeloos kan verhogen. Wat is voor de jongere generatie, die vaak ook nog minder baanvast is, de beste manier om veilig pensioen op te bouwen? (Als dit nog kan!)”

De langstlevende schildpad ter wereld wordt zo’n 240 jaar. We zouden flink protesteren als dit dier pensioen eiste vanaf zijn 65ste. Maar nu wij zelf steeds ouder worden en dus duurder qua pensioen, verdedigen pensioenfondsen, vakbonden, ouderen en diverse politici ons gedateerde pensioensysteem als ging het om de belegerde stad Leiden in 1574. Kritiek wordt vooral gesmoord met de term ‘solidariteit’. Hoewel dat klinkt als het toppunt van rechtvaardigheid, benadeelt dit veel jongere werknemers drie- tot viervoudig.

Het eerste nadeel zit in de doorsneepremie: elke fondsdeelnemer betaalt, ongeacht leeftijd, eenzelfde premiepercentage. Eigenlijk zouden jongeren minder moeten betalen. Want een euro van een jongere kan tientallen jaren renderen, terwijl de premie van een 64-jarige nauwelijks meer winst maakt. De grafiek toont hoe daardoor de premie van een 25-jarige voor pakweg de helft naar de opbouw van ouderen gaat. Dit nadeel vervalt slechts als je de volle 40 jaren pensioen opbouwt, liefst in hetzelfde fonds. Maar welke jobhoppende, flexwerkende, jongere doet dat nog?

In pensioenland dragen daarnaast de zwakste schouders de zwaarste lasten. Je bouwt namelijk pensioen op voor zover je salaris hoger dan je ‘franchise’ is. Die franchise is bijvoorbeeld het AOW-bedrag. Zit je loon daar maar een paar honderd euro boven, dan bouw je nauwelijks wat op, al betaal je 50 jaar. Dat benadeelt jongeren meer dan ouderen, omdat ze vaak minder verdienen. Extra fout zit een jongere die laag is opgeleid. Deze leeft gemiddeld zes jaar korter dan zijn hoogopgeleide collega, en krijgt dus korter uitgekeerd. Volgens Martin Pikaart, auteur van De Pensioenmythe subsidieert een laagopgeleide onze bovenlaag met gemiddeld 10 tot 40 mille.

Huiveringwekkend zijn de gevolgen die Pikaart schetst van de huidige pensioencrisis. De vergrijzing, de ontgroening (minder geboortes) en de recessie hebben de doorsnee-premies omhoog gejaagd. Jongeren betalen dus steeds meer, maar wat ze terugkrijgen is de vraag. Volgens Pikaart kan een fonds met onvoldoende dekkingsgraad en veel oudere deelnemers bij een ongewijzigd uitkeringsbeleid over twee decennia compleet leeg zijn. De jongeren vangen dan bot.

Jongeren hebben dus alle reden om extra pensioenpotjes op het vuur te zetten. Denk daarbij breed. Alles wat later kosten drukt of extra inkomen oplevert, is immers een vorm van pensioen. Ga dus sparen én de hypotheek aflossen én zelf klussen én minder uitgeven (voor en na pensioen). Vergroot ook je doorwerkmogelijkheden door een flexibele alleskunner te worden, aan je fysieke conditie te werken en je sociale contacten te koesteren.

Protesteer tot slot bij de politiek tegen de verplichte pensioenopbouw. Het extra inkomen dat dit totaalpakket later oplevert, heb je als gepensioneerde van na 2035 mogelijk broodnodig.

Beslist lezen: De pensioenmythe, Martin Pikaart