Hij: ‘Ik de kracht, jij het brein’

Veerle: „Per maand geven we veel geld uit aan boodschappen. Vooral aan eten. We houden allebei veel van koken. Zo hebben we een luxe gasfornuis van Smeg, met zes pitten. Dat is ons meest waardevolle bezit, hoewel niet het duurste.”

Ruben: „Maar verder hebben weinig spullen van grote waarde in huis. Je kunt alles hier bij wijze van spreken voor 800 euro meenemen. De doorsnee student geeft z’n geld uit aan uitgaan en koopt zo goedkoop mogelijk eten. Bij ons is het net andersom. Maar ik zou wel graag wat meer geld aan dingen als kleding willen besteden.”

Veerle: „Dat kan wel, maar dan moeten we minder biefstukjes gaan eten.”

Ruben: „Dat is waar. Verder hebben we niet echt hobby’s die veel geld kosten.”

Veerle: „Nou ja, jij hebt je oude Zundapp en je houdt van tuinieren.”

Ruben: „Ja, dat vind ik leuk om te doen. Maar dat kost weinig. De verzekering voor de brommer is bijvoorbeeld maar vijf euro per maand.”

Veerle: „We hebben laatst ook nog een tandem gekocht. Helaas is die alweer kapot. De tuin laat ik trouwens lekker aan Ruben over, dat is niets voor mij. Alleen vertel ik soms welke planten waar moeten komen, haha.”

Ruben: „Jij bent het brein, ik de kracht.”

Veerle: „We sparen nu om op vakantie te gaan. We zijn eigenlijk nog nooit lang samen weggeweest, bedenk ik me nu.”

Ruben: „We hebben nog geen vaste plannen: we gaan waarschijnlijk gewoon een auto lenen en rijden. In elk geval naar het zuiden. Frankrijk, Spanje, misschien nog Portugal. We hebben er een week of drie voor ingepland.”

Veerle: „Maar je weet het niet. Misschien wordt het wel gewoon een weekje Drenthe.”