Het pistoolschot dat de burgemeester trof

NRC Handelsblad 5 mei 2001, Zaterdags Bijvoegsel, pagina 1

Op dinsdagavond 17 april 2001 werd Jan Haanstra, twintig jaar burgemeester van de Noord-Hollandse gemeente Stede Broec (Bovenkarspel, Grootebroek, Lutjebroek), met een licht kaliber pistool in het gezicht geschoten. De schutter wachtte hem op bij zijn huis. De kogel bleef steken in zijn wang, een dader werd nooit gepakt. Na de moord op Fortuyn werd de aanslag vaak genoemd als ander recent voorbeeld van politiek geweld. Haanstra overleed zes jaar geleden aan kanker, hij was 69 jaar.

„Hij riep mijn naam”, vertelt zijn weduwe Lydia Haanstra (56) over de avond van de aanslag. „Ik lag al op bed. Ik hoorde wel een plof, maar ik dacht dat hij de kapstok in de garage omver had gereden. Die hing vol met mijn natte tuinkleren. Ik dacht: ja hoor, daar gaan we weer, jij rijdt hem om en ik mag het opruimen.” Ze trof haar man aan met een hevig bloedend gezicht. Hij vroeg om een doek, hield die tegen zijn wang. „Daar werden we allebei rustig van.”

De politie vroeg of hun de laatste tijd iets bijzonders was opgevallen. Dat was zo: er reden veel Poolse auto’s door de straat. „Hier werken veel Polen in de landbouw. Ik zag er geen kwaad in. Maar het viel wel op.”

Lydia Haanstra wilde direct verhuizen. Omdat de aanslag mislukt was, vreesde ze dat de daders terug zouden komen. Later besefte ze dat ze zich in een ander huis ook niet veilig zou voelen. Haar man kreeg lijfwachten, het huis geavanceerde camerabewaking. Het politieonderzoek leverde niets op en werd na vijf maanden gesloten.

Het meest frustrerende moment, vertelt Lydia Haanstra, was de suggestie van een rechercheur dat ze alles zelf in scène hadden gezet. „Eerst moest ik heel erg lachen. De volgende dag ben ik naar de website van Peter R. de Vries gegaan. Mijn man zei, dat kun je niet maken, zo val ik mijn korps af. Ik zei: Je korps valt jou af!”

Na druk van Lydia Haanstra, en volgens het Openbaar Ministerie ook wegens nieuwe aanwijzingen, werd het onderzoek hervat. Een man zat enige tijd vast. Hij verschafte onderdak aan Polen en moest nog een boete van 50.000 gulden betalen wegens niet-nageleefde voorschriften voor brandveiligheid. „Voor de aanslag had hij een afspraak met mijn man waar hij niet op was komen dagen.” De verdachte bekende niets en overleed vrij snel daarna. Voor Jan en Lydia Haanstra sloot dat de zaak af. „Ik denk nog steeds dat het daar heeft gezeten. Dat verklaart ook die Poolse auto’s in de straat.”

Toen Pim Fortuyn werd vermoord, belde haar man haar op. Hij reed op de dijk Lelystad-Enkhuizen en vroeg of ze de radio aan had. „Toen dacht ik: zie je nou, het had heel anders af kunnen lopen. Mijn man wou daar nooit van horen. Hij wimpelde dat weg.”

Ze woont nu in een ander huis. Camerabewaking wilde ze niet meer. Die tijd is voorbij. „Dat wat je krijgen moet, krijg je. Het overkomt je. Het gaat altijd anders dan u en ik kunnen verzinnen. Dat is eigenlijk met het hele leven zo.”