Het is volbracht. Ik heb het volgehouden

Misdaadverslaggever Peter R. de Vries stopt begin juni met zijn televisieprogramma op SBS6 „omdat dit werk niet meer vol te houden is”. Een gesprek over toneelstukjes op tv, voldoening en zijn vriend Cor van Hout. „Als iemand mij had willen omleggen dan had hij dat echt niet eerst in de week gelegd bij Cor van Hout.”

Het ingelijste Ajax-shirt hangt nog steeds boven de bank in zijn werkkamer. Een cadeau van de ouders van de elfjarige Nicky Verstappen uit Heibloem die in 1998 werd vermoord. Ze vroegen Ajax vlak na de moord om een shirt met de handtekening van Jari Litmanen, voor in de kist van hun zoon. Toen het arriveerde was de begrafenis net achter de rug. Een paar jaar nadien gaven ze het aan de misdaadverslaggever die toen al vele uitzendingen over de moord had gemaakt. Als zijn werkkamer bij Endemol over een paar weken ontruimd wordt, gaat het mee naar huis, zegt De Vries. Waar dat shirt precies voor staat? Hij antwoordt bijna fel: „Voor een kindermoord die nooit is opgelost. Ik kijk er elke dag even naar. Het is een aansporing om niet op te geven, om altijd dóór te zoeken.”

Begin juni komt er na zeventien seizoenen een eind aan zijn programma Peter R. de Vries misdaadverslaggever. Dat afscheid gaat gepaard met weemoed, zegt De Vries (55). „We hebben met elkaar toch een instituutje neergezet. Zeventien jaar is een kolossale periode. Mijn zoon was vier toen ik begon, inmiddels is hij derdejaars rechtenstudent.”

Waarom houdt u ermee op?

„De belangrijkste reden is dat het niet meer vol te houden is. Dit werk trekt een enorme wissel op je. Misdaad is een buitengewoon moeilijk genre. Bij ons komen mensen niet langs om hun nieuwe cd aan te prijzen, het gaat altijd over zaken van leven en dood. Het voortraject, de juridische en emotionele nasleep… het is ongelofelijk intensief. We werken per seizoen met een groot team aan zo’n dertig zaken tegelijk.”

Wijzend naar de meterslange dossierkast met honderden ordners: „Het is heel normaal dat je voor één uitzending een verhuisdoos aan dossiers moet lezen. Het is emotioneel bovendien zeer beladen. Er zijn veel mensen – slachtoffers, nabestaanden – met wie ik al vijftien jaar contact heb. Ik begon me steeds meer een acrobaat te voelen die twaalf schoteltjes tegelijk in de lucht moet houden. Je sleept na zeventien jaar een loodzwaar net vol zaken, tips en nabestaanden achter je aan.”

Moet dat net niet eerst leeg?

„Dat is onmogelijk. Er komen voortdurend nieuwe zaken bij. Ik heb zeventien jaar het leven van een topsporter moeten leiden om het vol te houden. In de weekends altijd doorwerken, in de vakanties doorlezen. Dossiers in je kop krijgen, zorgen dat je alles paraat hebt. Dat geeft veel druk.”

Bedoelt u dat de voldoening die u eraan beleefde steeds kleiner werd?

„Eigenlijk moet ik bekennen dat ik er nooit van genoten heb. Omdat het te veel van je vraagt. We hebben mooie successen gehad, maar tijd om ervan te genieten was er niet. Want volgende week was er wéér een uitzending. Kwam ik terug uit Australië of Honduras, stond ik de volgende ochtend in een Fries weiland alweer een stand-upper te doen. Het werk begon steeds meer bezit van me te nemen.”

Aanvankelijk maakte u een programma, maar na verloop van tijd begon dat programma ú te maken?

„In feite was dat zo. Dus het afscheid gaat zeker ook met opluchting gepaard. In de zin van: het is volbracht. Ik heb het volgehouden.”

U zegt dat u geleefd heeft als een topsporter. Hebt u gouden medailles gehaald?

„Ja. Maar dat zijn niet de medailles die je verwacht. Ik vind Joran van der Sloot zeker niet mijn grootste zaak. Het was een mooie zaak, ik heb er een Emmy Award voor gewonnen. Maar die Emmy zou ik direct inleveren voor de oplossing van een andere zaak. Mijn echte voldoening gaat uit naar zaken als de Puttense moordzaak. Niemand wilde geloven dat gerechtelijke dwalingen als met de Guildford Four of de Birmingham Six ook in ons land zouden kunnen bestaan. In die tijd gaf de rest van de pers niet thuis. Nadien riep iedereen in koor: ‘Onbegrijpelijk dat dit heeft kunnen gebeuren’.”

Heeft een verdachte recht op privacy?

„Ja.”

Wat is dan de afweging om soms toch een verborgen camera in te zetten?

„Dat zijn privacy uiteindelijk ondergeschikt is aan de ernst van de misstand.”

Dat bepaalt u?

„Niet in mijn eentje. Daar hebben we als redactie criteria voor. Al zijn die niet altijd even objectief en glashelder. Ik zal direct toegeven dat we daarin soms op enige inconsequentie te betrappen zijn geweest.”

Advocaat Gerard Spong zei destijds dat u de privacy van Joran van der Sloot met uw uitzending geschonden heeft.

„Dat vind ik niet. Die zaak was buitengewoon ernstig. Bovendien had Joran er zelf al een boek over geschreven en was hij uit eigen beweging verschenen op de Amerikaanse tv en in andere programma’s.”

U zei destijds: ‘Nu is de zaak opgelost.’ Terwijl de schuld van Joran nooit voor de rechter bewezen is.

„Ik ben een journalist, geen magistraat. We hebben het journalistiek gezien opgelost. Zijn verhaal was dat hij niets met de verdwijning te maken had. Bij ons bleek dat hij er alles mee te maken had en dat Natalee zelfs in zijn armen gestorven is. En dat hij het stoffelijk overschot in de oceaan heeft gedumpt. In die zin is duidelijk geworden wat er is gebeurd.”

Welke zaken zijn aan u blijven knagen?

„Dat zijn toch misdrijven met kinderen en jonge mensen: Petertje Oort, Germa van den Boom, Marianne Vaatstra, Nicky Verstappen.”

Verwacht u daar ooit nog beweging in?

„Ik ben ervan overtuigd dat de zaken van Vaatstra en Verstappen opgelost kunnen worden. Ook omdat sinds 1 april verwantschapsonderzoek mogelijk is met dna. Voor verwantschapsonderzoek is het niet nodig dat er dna van de dader zelf in de databank zit, maar kan men hem op het spoor komen door een familielid dat erin zit. Daar verwacht ik veel van.”

Spreekt u de ouders van Nicky Verstappen nog?

„Elke week. Gisteren nog.”

Elke week is veel.

„Voor mij niet. Voor deze mensen sta ik open. Altijd. Ook in het weekend of op vakantie.”

Komen ze ook bij u thuis?

„Dat niet. Maar we hebben intensief contact. Ik ben voor hen een soort laatste strohalm.”

Ik moest veel moeite doen om u over te halen voor dit interview.

„Ik zie het nut er niet meer van. Je loopt je al gauw te verdedigen. Daarna roepen mensen weer: ‘Zie je wel, hij kan niet tegen kritiek’.”

Doelt u nu op het veelbesproken tv-gesprek met Sven Kockelmann?

„Nee. Het heeft mij enorm verbaasd hoeveel fuss dat botsinkje gaf. Zoveel stelde het niet voor. Het zegt vooral veel over televisie in Nederland. De meeste talkshows zijn toneelstukjes. Ik kwam Kockelmann laatst tegen. Hij zei: ‘Moeten wij nog ’ns een kop koffie gaan drinken?’ Voor mij hoeft dat niet. Niet om lullig te doen, maar wat valt er nou uit te praten?”

U was wel kwaad. Wat stak u precies?

„Dat ik onder valse voorwendselen was overgehaald. In de schmink zag ik Kockelmann de promo doen. De kern was: ‘Hoe zuiver op de graat is De Vries zelf eigenlijk?’ Toen dacht ik: och, gaan we die kant weer op…”

U werd vooral kwaad toen hij zei: ‘Je maakt programma’s over de misdaad, maar de echte grote jongens blijven buiten schot’.

„Omdat dat zo’n kulargument is. Bij mij is de laatste jaren iedereen aan de beurt gekomen.”

Maakt u afspraken met criminelen?

„Natuurlijk maak je af en toe afspraken. Soms gaat dat via een advocaat: ‘We gaan dat en dat aan de orde stellen en we brengen het zo in beeld.’ In de trant van: hij blij, ik blij.”

Ook in de trant van: dáár zullen we het niét over hebben?

„Dat zal weleens gebeurd zijn. Iemand zegt: ‘Ik wil wel een interview geven maar niet daarover.’ Soms denk je: what the heck? Daar gáát het helemaal niet over, dus dat kan ik makkelijk toezeggen. Soms kan het journalistiek gezien niet, en dan weiger ik resoluut.”

Betaalt u mensen voor hun medewerking?

„Ik heb de afgelopen dertig jaar hooguit twintig keer betaald. Dat ging altijd om kleine bedragen, om een dagvergoeding als iemand daadwerkelijk tijd geïnvesteerd had.”

Patrick van der Eem kreeg naar verluidt een forse gage als chauffeur van Van der Sloot.

„Die heeft geen van tevoren afgesproken bedrag gekregen. Hij heeft mee gedeeld in de opbrengst van de televisierechten.”

Hoe aanzienlijk was dat?

„Aanzienlijk. Het ging om een paar ton. Maar ik zou het hoogst onfatsoenlijk gevonden hebben als Endemol er geld aan zou hebben verdiend zonder dat hij had mee gedeeld. We hebben het verkocht aan Amerika, en dat heeft iets minder dan een miljoen opgebracht.”

Wat hebt u er zelf aan overgehouden?

„Die uitzendingen hebben mij geen euro extra opgeleverd. Dat is naar Endemol gegaan. Mijn toenmalige baas Paul Römer bood mij een bonus aan van vijftienduizend euro. Die heb ik laten verdelen onder mijn medewerkers. Ik heb er zelf geen euro aan overgehouden.”

Wat had u destijds voor afspraken gemaakt met de ontvoerders van Heineken?

„We praten over 1985. Ik was een jonge verslaggever van De Telegraaf, brandend van ambitie. Ik was in de positie gekomen dat ik toegang had tot Cor van Hout. Die stuurde ik in de twee jaar dat hij vastzat in Frankrijk elke dag een krant. Ik wilde dolgraag het complete verhaal vertellen, ook omdat Van Hout en Holleeder er zelf over zwegen. De deal met Cor was dat hij driekwart van de royalty’s zou krijgen en ik een kwart. Dat kon me niks schelen. Man, ik had wel geld méé willen brengen. Toen bleek hoeveel werk dat boek kostte, zag Cor in dat het een onbillijke verdeling was. Toen werd het fiftyfifty. Ik wist wel dat ik een bestseller in handen had, maar dat ’t het misdaadboek van Nederland zou worden dat nu, 25 jaar later, nog steeds wordt verkocht, had ik toen ook niet kunnen bedenken. Nu zou ik zo’n deal niet meer maken.”

Nadat hij in januari 2003 was vermoord, noemde u hem in een rouwadvertentie ‘de meest bijzondere man die ik gekend heb’. Is-ie dat nog steeds?

„Oh zeker. Hij was ontzettend intelligent, zonder dat hij veel opleiding had. Hij had een onvoorstelbaar scherp geheugen. Het was fascinerend om met ’m om te gaan.”

Het was wel een crimineel die iemand ontvoerd had.

„Natuurlijk! Maar het een sluit het ander niet uit. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat ik met hem bevriend was geraakt – dat zou fout geweest zijn. Cor had een scherpzinnige geest en een groot gevoel voor humor. Een voorbeeld: toen hij in de gevangenis zat, zag een medegedetineerde het op een dag niet meer zitten. Die man deed een zelfmoordpoging door zich op te knopen. Het was bedoeld als noodkreet, hij werd tijdig gevonden. Kort daarna was er in de gevangenis een voetbaltoernooi. Die vent was inmiddels aardig opgeknapt en vroeg aan Cor of-ie mee mocht spelen. ‘Tuurlijk’, zei Cor: ‘Als hangende spits’.”

Ging er voor u ook een beschermende werking van die vriendschap uit?

„Niet echt. Zo gaat dat niet in de onderwereld. Als iemand mij had willen omleggen dan had hij dat echt niet eerst in de week gelegd bij Cor van Hout.”

Leek Van Hout op Holleeder?

„Nee. Dat is een verschil van dag en nacht.”

Na zijn vrijlating was u de eerste die nog dezelfde dag contact met hem had. Heeft Holleeder u zelf gebeld?

„Nee. Dat ik wist waar hij zat is de uitbetaling van dertig jaar misdaadjournalistiek.”

U had hem toen al lang niet gesproken. Hoe spannend is het om op een bospad op hem af te lopen?

„Ja, dat vind ik dan toch ook even… eh… interessant. Ik heb hem vroeger natuurlijk goed gekend. Hij zat erbij toen ik dat boek over Heineken optekende. ‘Nee Cor, dat was op woensdag, niet op dinsdag.’ Maar je weet niet hoe hij geworden is, hoe hij nu tegen dingen aankijkt.”

Holleeder is vaak genoemd als opdrachtgever van de moord op Van Hout. Dat moet op dat bospad ook door uw hoofd zijn gegaan.

„Niet op dat moment. Maar ik heb de afgelopen jaren ook veel nagedacht over wie erachter zou kunnen zitten. Al moet je oppassen dat je niet automatisch alles op het conto van Holleeder schrijft. Dat vindt de pers makkelijk omdat het de zaken lekker overzichtelijk maakt. Terwijl het de vraag is wat daar feitelijk van waar is.”

U maakte ook een foto van Holleeder die diezelfde avond werd getoond bij De Wereld Draait Door. Daar moest de redactie naar verluidt flink voor betalen.

„Ja.”

Gaat dat geld naar u of naar Holleeder?

„Naar mij. Ik ben journalist, ben zelfstandige en heb een product dat media heel graag willen hebben. Sommige kranten zoals NRC pikken dat vervolgens brutaal.”

Waarop u ze een pittige naheffing stuurt.

„Natuurlijk. Dan moet je even zeggen: ‘Ho ho, zo doen wij dat niet.’ Wat zou u doen als uw interview met mij zonder toestemming door een andere krant zomaar wordt overgenomen? Ik ben toch misdaadjournalist? Dan hoef ik toch niet andere media voor niks te bedienen? We hebben het hier wel over de grootste crimineel van Nederland.”

Is hij dat nog steeds?

„Wel in de perceptie van mensen. Zelfs de BBC heeft me gebeld. Dan zou het heel raar zijn als ik zeg: ‘Ach, die foto deel ik wel even uit’.”

Wat heeft dit vak betekend voor uw mensbeeld?

„Ik zal een ander niet gauw geloven op zijn blauwe ogen. Ik heb mensen zien zweren op het graf van hun kinderen dat ze iets niet gedaan hadden, terwijl ze wel schuldig waren.”

Moet u zelf na dertig jaar misdaadjournalistiek vaak over uw schouder kijken?

„Zeker. Ik ga daar niet teveel over zeggen. Maar ik moet opletten.”

Uit welke hoek komt die dreiging dan?

„Daar zeg ik niks over. Neem van me aan dat het zo is.”

Maakt u zich er zorgen over?

„Het is in elk geval iets waar je nooit zorgeloos over kunt zijn. Er is een tijd geweest dat ik me serieus afvroeg of ik ’s avonds om elf uur de hond nog wel moest uitlaten. Dat is een gevaarlijke routine, hét moment om iets te laten gebeuren.”

En? Liet u ’m uit?

„Ja. Het beest moest toch plassen.”

Gaat het om groeperingen of om individuen?

„Meest individuen.”

Praten we over de categorie ‘gekken’?

„Nee, het gaat om mensen die berekenend te werk gaan. Maar goed, daar is niet veel aan te doen. Je maakt in dit vak nou eenmaal vijanden. Je moet voor dit werk een bepaalde onverschrokkenheid hebben. En die heb ik.

„Vorig jaar hadden we een mooie zaak over een paar voortvluchtige Surinaamse moordenaars. Voor moord veroordeeld, ontsnapt en hier een nieuw bestaan opgebouwd. We wisten dat er één in een Surinaams café in Amsterdam-Zuidoost zat. Om hem te confronteren moesten we dat café in waar 120 Surinamers zaten. Sommigen van de crew zeiden: ‘Peter, dit is echt linke soep.’

„Op zo’n moment kan me dat niet schelen. Ik denk: ‘We zijn er helemaal voor naar Suriname geweest. Hier binnen zit de man die het gedaan heeft. En nu zou ik opeens niet naar binnen gaan? Kom op zeg.’ Dan ben ik door geen tien paarden tegen te houden. En ja, er werd gedreigd, er werd flink aan ons getrokken. Maar dan wijk ik geen centimeter.”

En als u dan thuis komt?

„Dan blijf ik alert. Ik zie vaak dingen die een ander niet ziet, zegt mijn vrouw. Bij een auto die opeens vaker in de straat staat, terwijl hij niet van een buurman is, kijk ik toch even naar de kentekenplaat. Ook nu ik stop met mijn programma zal dat niet ophouden. Want ik blijf Peter de Vries met wie sommigen nog een appeltje te schillen hebben.”

Trekt u zich vanaf nu terug in de luwte?

„Nee, ik blijf gewoon werken. Er zijn allerlei plannen, onder meer voor een talkshow, en voor een serie over kinderrechten die overal op de wereld geschonden worden. En ik wil wel weer een goed boek schrijven. Mochten er ontwikkelingen zijn in een bepaalde zaak dan zal ik echt wel van me laten horen. En voor nabestaanden en ouders gaat de deur al helemaal niet dicht. Ik zal er altijd zijn als ze me nodig hebben.”