Flitslichtherinneringen

Psychologie Waar was jij op 6 mei 2002, toen je hoorde van de moord op Fortuyn? Dat weten velen met ongekende precisie, net zoals bij andere schokkende gebeurtenissen. Denken ze althans.

Douwe Draaisma

Die avond zat ik met vriendin S. in het café van filmhuis Images. Drie tafeltjes verderop, bij het raam, zat een oudere man met lang wit haar. Hij was een bekende verschijning in de stad, in de jaren zeventig had hij vanuit zijn kraam op de Grote Markt half hip Groningen in Afghaanse jassen gestoken. Iemand schoof aan bij zijn tafeltje en begon iets te vertellen waar de man zichtbaar van schrok. Dat trok de aandacht van de mensen aan het tafeltje naast hem. Ze luisterden mee. Iemand sloeg een hand voor de mond. Nog geen tien tellen later was het nieuws bij ons tafeltje.

Er moeten in Nederland honderdduizenden van dit soort herinneringen zijn aan de avond van 6 mei 2002. Ze voelen aan alsof de schok van het bericht in je brein een mechanisme activeert dat ervoor zorgt dat je heel even over een absoluut geheugen beschikt. Je registreert niet alleen het bericht, maar ook je omgeving, de mensen die bij je zijn, je eigen reactie, die van de anderen. Ook tien jaar later heb ik nog het idee dat ik me de hele situatie, met het van tafeltje naar tafeltje springende nieuws, de geschrokken gezichten, haast filmisch voor de geest kan halen, met allerlei details die ik anders al lang weer zou zijn vergeten.

Die wonderlijke uitbreiding van je registratievermogen is een kortstondig bezit, je telt het eerder in seconden dan minuten. Het lijkt of je geheugen heeft besloten één korte scène uit de filmrol van die avond te knippen, die zorgvuldig te fixeren en daarna de rest maar weg te gooien. Wie herinnert zich nog wat hij deed of waar hij was een uur vóór hij hoorde over de moord op Fortuyn? Het is een mechanisme dat een paar tellen lang je persoonlijke leven vasthaakt aan gebeurtenissen die ijkpunten in de Grote Geschiedenis zullen blijken.

In 1977 publiceerden Roger Brown en James Kulik – twee Harvard-psychologen – een artikel over herinneringen van dit type. Ze gaven er een naam aan die aansloeg: flashbulb memories, flitslichtherinneringen, FBM’s in de vakliteratuur. Wat ze daarmee vooral wilden uitdrukken was het gebrek aan onderscheidingsvermogen dat je geheugen dan lijkt te tonen: alles komt op de foto, ook details die helemaal niets met het bericht hebben te maken. In een flitslichtherinnering is opgeslagen wie je het schokkende nieuws vertelde, maar misschien ook dat het pootje van zijn bril met plakband was vastgezet. Brown en Kulik dachten dat het flitslichtachtige karakter misschien een oude evolutionaire rest was: situaties met schokkende consequenties moet je zo gedetailleerd mogelijk onthouden, zodat je die een volgende keer sneller herkent. Wat er precies geactiveerd werd in de hersenen – of waar – moesten ze in het midden laten.

Prinses Diana

Bij sommige gebeurtenissen – de dood van president Kennedy, het verongelukken van prinses Diana – gaan op mondiale schaal flitslichten af. Aan het andere uiterste staan de zuiver persoonlijke flitslichtherinneringen, zoals bij het bericht van de dood van een dierbare of – ook dat is uitgezocht – bij de eerste menstruatie. Ergens halverwege staan de gebeurtenissen die een nationale schok veroorzaken: Pim Fortuyn is in ons land wat de dood van Franco was in Spanje, Palme in Zweden en Mitterand in Frankrijk. Brown en Kulik stelden in 1977 al vast dat etnische groepen in zekere mate hun eigen flitslichtherinneringen hadden: blank had ‘Chappaquiddick’ van Edward Kennedy (1969, op een eilandje werd een dode vrouw in Kennedy’s te water geraakte auto gevonden); zwart de dood van Malcolm X (1965).

In de jaren zeventig werd het flitslicht voor gewone fototoestellen nog geproduceerd door een plastic kubusje dat je boven op de camera moest prikken en na gebruik geblakerd in de asbak terecht kwam. Maar de metafoor die aan dit aandoenlijke hulpstukje werd ontleend geeft nu al meer dan dertig jaar tamelijk dwingend richting aan de theorievorming over herinneringen als die aan de moord op Fortuyn.

Het is een metafoor die zijn eigen steun organiseert. De korte duur, het visuele karakter, maar ook het gebrek aan onderscheid en de hardnekkigheid van de herinnering zijn eigenschappen die uiterst verleidelijk door de associaties van een flitslicht worden gevangen. De metafoor suggereert dat de herinnering in de loop van de tijd misschien aan scherpte verliest, maar vrij blijft van vertekening, zoals een foto wel kan vervagen maar er niet opeens iets anders op kan staan.

Dat laatste kan natuurlijk worden uitgezocht en dat is ook gebeurd. De afgelopen kwart eeuw is zo goed als iedere gebeurtenis met flashbulb-potentie aangegrepen voor onderzoek naar flitslichtherinneringen: het zinken van de veerboot Estonia, de val van de Muur, het aftreden van Thatcher, de terreuraanslagen in Londen en Madrid, het begin van de oorlog tegen Irak en de dood van Rabin. Als iconische flitslichtherinnering is Kennedy in 2001 afgelost door ‘9/11’. Daarover zijn inmiddels tientallen studies verschenen, vanaf alle continenten. Op hun beurt vormen die nu weer het materiaal voor onderzoek naar – bijvoorbeeld – culturele verschillen in de verwerking van schokkende gebeurtenissen.

Ruimteveer Challenger

Al dat onderzoek verloopt volgens een vast stramien. Zo snel mogelijk na het schokkende nieuws krijgen proefpersonen een vragenlijst voorgelegd: op welke dag en op welk moment hoorde je het, van wie, waar was je, wat deed je, wie was er bij je, wat was je eerste reactie? Na een periode die kan variëren van maanden tot jaren krijgt de proefpersoon de vragenlijst opnieuw voorgelegd. Discrepanties tussen de antwoorden worden opgevat als maat voor het vervagen of reviseren van de herinnering.

In artikelen over flitslichtherinneringen is de eerste verwijzing steevast naar Brown en Kulik (1977), maar de tweede naar de afgelopen februari overleden psycholoog Ulric Neisser (1982). Hij geloofde er niets van dat er een neuronaal mechanisme bestond dat een innerlijke foto kon vastleggen. Volgens hem ontstond de hardnekkigheid van zulke herinneringen niet door een afwijkende opslag, maar door de manier waarop we die herinnering repeteren. Na de schok ervaart haast iedereen een soort verteldwang. Nog dagenlang vertel je iedereen die het maar horen wil waar je was toen jij… Door al die herhaling prent je je eerder je eigen verhaal in dan een soort foto en dat is, opperde Neisser, ook de reden waarom die herinneringen gaandeweg de beproefde verhaalstructuur van het wie, wat, waar en wanneer krijgen. Anders dan bij een foto kunnen in die verhalen elementen sluipen die in het oorspronkelijke verhaal helemaal niet voorkwamen, zoals er ook delen uit kunnen verdwijnen. Zijn hypothese voorspelde dat ‘flitslichtherinneringen’ net zo vatbaar zouden zijn voor vergeten als gewone herinneringen. Het wachten was op een goede gelegenheid die voorspelling te toetsen.

Op 28 januari 1986, 73 seconden na de lancering, explodeerde het ruimteveer Challenger. Aan boord waren zeven astronauten, een van hen was een onderwijzeres. De lancering werd live uitgezonden, veel Amerikanen zagen het veer voor hun ogen ontploffen. Binnen enkele dagen deelde Neisser ruim honderd vragenlijsten uit die hij 32 maanden later opnieuw liet invullen.

De uitkomsten zijn snel verteld. Zelfs de antwoorden op vragen als ‘van wie hoorde je het’ of ‘waar was je op dat moment’ liepen fors uiteen. Bij de tweede afname gaven negentien studenten aan dat ze het nieuws voor het eerst op de televisie hadden gezien. Bij de eerste afname waren dat er nog maar negen geweest. Bij tien studenten waren de herhalingen die ze pas later die dag hadden gezien blijkbaar met terugwerkende kracht in de flitslichtherinnering terechtgekomen. Een op de vier studenten gaf bij het opnieuw invullen op alle vragen antwoorden die onverenigbaar waren met de antwoorden direct na de ramp.

Wat vreemd genoeg intact bleef, was de subjectieve zekerheid van de herinnering. In de flitslichtherinnering kon Jim als bron van het nieuws zijn vervangen door John, maar John verscheen even helder op de innerlijke foto als Jim bij de eerste afname. Dat flitslichtherinneringen niet alleen kunnen vervagen, maar ook vatbaar zijn voor revisie wordt na tientallen experimenten niet meer betwist. Dat ze zo niet aanvoelen, staat ook vast. Maar hoe vaak zijn we in de gelegenheid onze eigen flitslichtherinneringen werkelijk te toetsen? Of voelen we zelfs maar de noodzaak? Vriendin S. zit zo scherp in mijn herinnering aan het nieuws over de dood van Fortuyn dat ik haar nooit heb gevraagd of ik eigenlijk wel in háár herinnering zit.

En toch, soms gebeurt er iets wat je aan het denken zet.

Discreet gefilmd

Mijn eigen herinnering aan het verongelukken van de Challenger heeft alle trekken van een flitslichtherinnering. Ik keek samen met mijn dochtertje naar het Jeugdjournaal op het draagbare toestelletje dat in de boekenkast stond. Mijn dochter was zes, wat zich daar precies voor ramp afspeelde ging gelukkig een beetje aan haar voorbij. Maar ik herinner me dat ik ontzet zat te kijken naar het grillige patroon van helderwitte condensstrepen dat zich op een bijna feeërieke wijze aftekende tegen het stralende blauw van de hemel boven Florida. Althans – voor die herinnering zou ik een paar dagen geleden nog mijn hand in het vuur hebben gestoken. Ik weet nu beter. Mijn vrouw wees me erop dat we pas later dat jaar kleuren-tv kregen. Ik kan helemaal geen stralend blauwe hemel gezien hebben. Een of andere herhaling moet mijn herinnering zijn binnengeschoven.

Datzelfde mechanisme is aan te wijzen in sommige herinneringen aan de dood van Fortuyn (zie kader). Hoewel gevraagd werd naar herinneringen aan ‘de dag van zijn dood’ begonnen veel mensen over de schokkende opname van de languit op de parkeerplaats liggende Fortuyn. Die avond waren er inderdaad tv-beelden van de neergeschoten Fortuyn te zien, maar die waren nog betrekkelijk discreet gefilmd. Bij veel mensen lijken de herinneringen aan die beelden ‘overgeschreven’ te zijn door de foto in De Telegraaf met het bebloede verband, die natuurlijk pas van de volgende dag was.

In diezelfde verzameling wordt ook mooi gedemonstreerd dat de ontvankelijkheid voor flitslichtherinneringen groter is naarmate je jonger bent. Een vrouw van 79 zei zich de moord op Fortuyn goed te herinneren, maar die op Kennedy (1963) en de inval in Hongarije (1956) nog veel scherper. In 1956 was ze 23 jaar; dat de moord op Fortuyn haast een halve eeuw dichterbij in de tijd ligt doet blijkbaar niets af aan de subjectieve levendigheid van wat ze zich uit 1956 herinnert.

Als de dag van gisteren

Flitslichtherinneringen – versie Neisser – zijn geen neurologisch fabricaat, maar sociale reconstructies. Ze komen tot stand in een uitwisseling van verhalen, herdenkingen en jaaroverzichten. Ze krijgen hun positie in het netwerk dat we als samenleving opspannen in de omgang met schokkende gebeurtenissen. We herdenken ‘om de herinnering levend te houden’, zoals dat heet, maar datzelfde herdenken vergroot de kans dat herinneringen gedaanteverwisselingen ondergaan die we zelf niet eens opmerken. We weten niet beter dan dat ons geheugen die herinneringen met fotografische scherpte heeft geconserveerd.

Die subjectieve levendigheid van flitslichtherinneringen leidt nog tot een tweede geheugenillusie. In een totaal ander domein van onderzoek – naar de betrouwbaarheid van enquêtes – ontdekte de Amerikaanse statisticus Gray in 1955 dat mensen die moesten opgeven hoe vaak ze de afgelopen twee jaar bij de dokter waren geweest, onbedoeld ook een bezoek van drie of zelfs vier jaar geleden meetelden. De herinnering aan het consult bleek nog zo levendig dat ze onderschatten hoeveel tijd er inmiddels was verlopen. Dit mechanisme kreeg de naam ‘telescopie’: de scherpe details in de herinnering verkorten de schijnbare afstand. Die verkorting is experimenteel getoetst. De Britse psychologen Crawley en Pring maakten een lijst van geruchtmakende gebeurtenissen, zoals de moordaanslagen op John Lennon en Indira Gandhi, Tsjernobyl, Lockerbie, de Falkland-oorlog en de bomaanslag op Harrod’s. Daarna vroegen ze hun proefpersonen zo precies mogelijk jaar en datum te schatten. Bij de meeste proefpersonen trad een duidelijk telescopie-effect op: de werkelijke datum lag een stuk verder terug in het verleden dan ze dachten.

Dit waren stuk voor stuk gebeurtenissen die ook flitslichtherinneringen kunnen uitlokken. De details daarvan liggen nog zo ogenschijnlijk vers in het geheugen dat ze een ‘als de dag van gisteren-gevoel’ geven.

Dat kan Volkert van der G. nog parten gaan spelen. Zijn vrijlating is voorzien voor 6 mei 2014. Hij zal dan 12 jaar hebben gezeten. Maar de flitslichten die door zijn moordaanslag in zoveel geheugens zijn afgegaan zullen de duur van zijn straf een stuk korter laten lijken.