Een dorp kijkt weg

Een zestigjarige Zeeuw zou in tientallen jaren honderd jongens hebben misbruikt. Zijn dorpsgenoten zeggen dat ze het wel hebben geweten. Hoe en waarom konden zij een pedoseksueel in hun midden dulden? Groeten uit Westkapelle.

westkapelle foto rien zilvold

Pas boven op de zeedijk hoor je het ruisen van de branding. Het strand is op de vroege voorjaarsdag bijna verlaten, de witte strandhuisjes zijn nog dicht. Donkere paalhoofden strekken zich uit in de zee. Vlak voor de kust varen zacht dreunend zeeschepen voorbij, op weg naar of van de haven van Antwerpen. Op de dijk staat een tank, er spelen kinderen op. Achter de dijk ligt een zee van rode pannendaken. Dit is Westkapelle.

Begin maart is het afgelegen dorp aan de Zeeuwse kust opeens in het nieuws. Het Openbaar Ministerie in Middelburg maakt bekend dat de zestigjarige dorpsbewoner Joost W. in tientallen jaren wel honderd jongens heeft misbruikt. De Provinciale Zeeuwse Courant (PZC) treft laconieke bewoners: ze hebben het altijd al geweten. Tot over de grens verschijnen verhalen over het eigenaardige oord waar mensen kindermisbruik gedoogden. „Alle schauten weg und ließen dem Kinderschänder freie Bahn”, schrijft de Oostenrijkse krant Die Presse.

Joost W. zit nog altijd vast. Begin jaren negentig werd hij al eens veroordeeld tot twee maanden voorwaardelijk en moest hij verplicht in therapie. Sinds april vorig jaar hebben opnieuw drie mannen aangifte tegen hem gedaan. Het OM wil nog niet kwijt of er na de publiciteit nog aangiften bij zijn gekomen. Als het om honderd jongens gaat, zou je dat verwachten. Maar officier van justitie Rob Rammeloo zegt in de PZC dat hij in Westkapelle de omgekeerde wereld meemaakt: een verdachte die namen noemt en slachtoffers die ontkennen.

Zeven vlaggen

Wat voor dorp is Westkapelle? Veel journalisten die er twee maanden geleden neerstreken, schetsten een gesloten, zwaar christelijk dorp met eigen wetten en een doofpotcultuur. Is het dat wel? Hoe christelijk is het dorp, hoe gesloten? Hoe en waarom duldden de bewoners een pedoseksueel in hun midden?

De eerste indruk is niet die van een wereldvreemde enclave. Op de Markt van Westkapelle wapperen zeven vlaggen: behalve de Nederlandse, Zeeuwse, Belgische, Duitse en Noorse ook nog die van de Europese Unie en van de gemeente Veere, waartoe Westkapelle behoort. Tegenover café Kasteel van Batavia, aan de voet van de zeedijk, ligt een klein museum, het Polderhuis, dat met de nieuwste multimediale technieken de geschiedenis van het dorp vertelt. Her en der hangen affiches met een grootogig zelfportret van schilderes Charley Toorop, die hier veel kwam. Streng christelijk blijkt het dorp ook al niet te zijn, in tegenstelling tot nabijgelegen SGP-bolwerken als Aagtekerke en Meliskerke. „In mijn jeugd werd er op zondag gewoon gevoetbald en waren de cafés open”, zegt goudsmid Lou Minderhoud (68).

Volgens de legende stammen de Westkapellenaren – in het dorp spreekt men van Westkappelaars – af van de Noormannen. Hun doden liggen niet rond de kerk begraven maar bij de vuurtoren, aan de oostkant van het dorp. Ooit was dat de toren van de Willibrorduskerk, maar dat is lang geleden. Ongeveer eenderde van de 2.750 bewoners is ingeschreven bij de Protestantse Kerk Nederland (PKN), al komt lang niet iedereen nog in de kerk. De ‘zware’ gereformeerde gemeente, waar Joost W. lid van was, telt maar 250 leden. Uit piëteit met de gelovige minderheid houden de meeste dorpsbewoners wel min of meer de zondagsrust in ere. „Ik zou nooit op zondag mijn auto wassen”, zegt Piet Minderhoud (44), zoon van Lou en ook juwelier. „Tenminste, niet voor het huis.”

Omgekeerd accepteert de gereformeerde gemeente de kermis in juli, tevens decor van het ‘gaaischieten’, waarbij mannen met geweren schieten op afbeeldingen die te maken hebben met de actualiteit. „Het gaaischieten is zo oud en zo ingeburgerd, voor sommige mensen is dat een vorm van religie”, zegt bewoner Ko Houmes (68), lid van de gereformeerde gemeente. „Ik lach er maar een beetje om.” Houmes was dertig jaar raadslid en wethouder voor de SGP. Hij kreeg zijn stemmen ook van niet-gelovigen.

Joost W. woont al zijn hele leven in het dorp. Hij komt uit een groot gezin van trouwe kerkgangers in de gereformeerde gemeente. Zelf kerkt hij ook, maar hij is niet recht in de leer. Hij drinkt, komt in cafés, op de kermis. Hij heeft een klusbedrijfje en geeft zijn geld graag uit aan jongens, die hij beloont voor schoolrapporten en trakteert op ijs, patat en biertjes. Een joviale, behulpzame man die nooit geheimzinnig doet over zijn seksuele voorkeur. Al is hij getrouwd, met een vrouw van buiten het dorp. Marijn Faasse (34), de eigenaar-kok van restaurant de Zeezot, herinnert zich dat Joost W. vier jaar geleden bij hem aan de bar zat. Faasses dochtertje was net geboren. „Ik zei: ‘Daar blijf je vanaf hè. O nee, daar val je niet op.’ Hij moest lachen.”

Ouders waarschuwden hun zonen. Geen geld aannemen van Joost. Niet met hem alleen blijven. Iedereen wist dat er jongens waren die dat toch deden. Die zelf bij hem aanbelden, voor hem gingen werken omdat het goed verdiende. Dorpsbewoners dachten wel zo’n beetje te weten wat hij deed. Het zou gaan om „laten zien en opmeten, geen ontucht”. Een verhaal is dat hij een gat in zijn broekzak maakte en jongens vroeg geld uit die zak te vissen. Een ander dat jongens 250 euro kregen als hij even zijn broek mocht laten zakken. Er werd van hem geprofiteerd, zeggen veel mensen. Niemand gebruikt woorden als ‘slachtoffer’, ‘dader’ of ‘pedofiel’. Niemand gelooft dat W. honderd jongens heeft misbruikt. „Als het al zo is dat hij honderd jongens heeft aangeraakt, dan heeft driekwart het goed gevonden”, zegt Piet Minderhoud. „Iedereen weet hoe hij is.”

Op je mieter

Zo rond hun negende werden dorpsjongens voor Joost W. gewaarschuwd. Als ze zestien waren dronken ze een biertje van hem. In Middelburg dan, zegt Sebastiaan Mekes (34), kok en eigenaar van dorpskroeg Kasteel van Batavia. „Je liet het wel om in het dorp met hem om te gaan. Dan kreeg je op je mieter.” Ze waren altijd met een groep, zegt hij. Na afloop pakte iedereen zijn fiets of scooter en reed naar huis. „Dan bleef hij alleen over. Ik had niet het idee dat er jongens zouden zijn die erin trapten. Ik heb nooit van iemand gehoord die dat mee heeft gemaakt.” „Hij zocht ze uit, denk ik”, zegt Marijn Faasse, die dat wel eens van iemand gehoord heeft. „Als je gepest werd op school. Als je vader overleden was. Bij mij zou hij het nooit doen.”

Dat ten minste twee dorpsgenoten zo onder W. hebben geleden dat ze jaren later aangifte hebben gedaan, is een ongemakkelijk gegeven. Mensen vragen zich af of ze toch iets hadden moeten doen. Maar, zeggen ze er direct achteraan, wat konden ze doen? Marijn Faasse zag Joost W. eens met een jonge man in het hotel boven de Chinees, naast zijn eigen restaurant. Een man van een jaar of 26. Moest hij dan de politie bellen? En dan was er ook nog de onderlinge solidariteit. „Er heerst een cultuur van ons kent ons en we lossen het zelf wel op”, zegt een vrouw die oorspronkelijk uit een ander dorp komt. „Ik hoor het mijn kinderen ook zeggen: ‘ik ben geen verraaier’.”

De solidariteit heeft een lange historie. „Wat van achter de vuurtoren kwam, deugde niet”, noteerde PvdA-bestuurder Willem Gabriëlse (1908-1999) in zijn boekje ’t Oude Westkappelse leefpatroon. Westkapelle was geen vissersdorp – de haven verzandde al in de vijftiende eeuw – maar een dorp van dijkwerkers. Dat was geen vetpot, de meesten bebouwden ook een lapje grond. Ze vormden een trotse groep, met een socialistische inslag. „Hun saamhorigheid was zo groot, dat ze niet duldden, dat een oude of invalide dijkwerker ontslagen werd”, schrijft Gabriëlse. En: „Het steenzettersvak, dat grote bekwaamheid vereiste en door een minderheid werd beoefend, betaalde niet meer dan een heier, een rijswerker of een sjouwersman.” De politieke kleur van Westkapelle is vanouds rood. Bij de laatste Kamerverkiezingen won in ‘noord’ de PvdA, in ‘zuid’ de VVD. Aan de Zuidstraat liggen de winkels.

Levend oorlogsmonument

Op een warme voorjaarsdag rijden gehelmde Duitse kinderen op mountainbikes rond ‘de kreek’, een grote waterplas vlak bij het dorp. Er hangt een vreemde stilte om dit meertje. Je zou verwachten dat er op een dag als deze wordt gevaren, gezwommen. Maar dat mag niet, vertelt een bord langs de oever. De kreek is een „levend oorlogsmonument”, verklaart Ada van Hoof (59), oprichter en bestuurslid van museum het Polderhuis. Eind 1944 werd Westkapelle door geallieerde bommen verwoest. Meer dan 200 inwoners kwamen om. De bommen sloegen een gat in de zeedijk en Westkapelle, heel Walcheren, stroomde onder. De kreek is achtergebleven zeewater. Het strand heet in Westkapelle nog steeds ‘het gat’.

Afgezien van de herdenkingen werd decennialang nauwelijks over dit trauma gesproken. „Iedereen had veel verloren en moest opnieuw beginnen”, zegt bewoner Ans Dingemanse (63). „Daar ging je niemand mee lastig vallen. Je moest vooruit kijken, positief zijn.” Onder de titel Het niet vertelde verhaal van 44 tekende Ada van Hoof vorig jaar voor het eerst oorlogsgetuigenissen op.

Het gat in de zeedijk maakte Westkapelle open, op meer dan één manier. In afwachting van nieuwe huizen verbleef een deel van de bevolking elders. „Toen zagen ze dat ‘buiten’ mensen woonden die ook best aardig waren”, zegt bewoner Adri Kleinepier (64). Zijn vader was steenzetter en hij heeft zelf ook een echte dijkwerkerskop, maar was bankemployé in zijn werkzame leven. Nadat door het dichten van het gat een breder strand was ontstaan, kwamen de toeristen, vooral uit Duitsland. „In het begin waren er wel mensen die zeiden: ze hebben zoveel aangericht, dat hoeft voor mij niet”, zegt Ko Houmes. Maar het duurde niet lang voor het dorp de nieuwe werkgelegenheid omarmde.

Nog altijd is de gemeenschap hecht. Het Polderhuis drijft op de inzet van 165 vrijwilligers. Er zijn drie zangkoren en veel verenigingen. Ook het ‘Wasschappels’, geen streek- maar een dorpsdialect, bindt de bewoners. En oude gewoonten, zoals het zingen van overgeleverde liederen, en het geven van bijnamen omdat er door onderling huwen veel dezelfde namen zijn. Piet Minderhoud, de jongste van vier Pieten Minderhoud, staat in het dorp beter bekend als ‘Piet de Gou’, van goudsmid. Hij zou nergens anders willen wonen, zegt hij in zijn mooi gerestaureerde huisje.

Zoals veel dorpsjongens heeft ook Piet Minderhoud herinneringen aan Joost W. „Hij deelde soms ijs uit op het strand. Dat zocht je toch weleens op. Soms kregen ouders ook. Ze zeiden nooit: van Joos mag je geen ijs.”

Hij herinnert zich nog een scène op het strand. Het strandhuisje van zijn ouders was vlakbij het strandhuisje van Joost W. „Op een keer kwam er een jongen bij hem. Op de brommer. Ze zaten in de strandstoel te kletsen, een paar honderd man kon dat zien. Op een gegeven moment gingen ze dat hokje in en kwamen er anderhalf uur niet meer uit. Dat ging opvallen. Iedereen vond het gek. Maar niemand van de volwassenen ging eens kijken. ‘Dat hoort misschien bij Joos’, werd gezegd. En het was geen kleine jongen met wie hij was. Als die het niet zou willen, gooide hij Joos er zo uit.”

Toch werd Joost W. niet zomaar geduld. Vaders peperden hem in dat hij bij hun zonen uit de buurt moest blijven. Zijn ramen werden eens ingegooid, zijn garagedeur ondergekalkt. In Kasteel van Batavia, het sociale hart van het dorp, is hij al jaren niet meer welkom. „Dan kwamen er op vrijdagmiddag twee of drie jongens met een scooter, niet van hier”, vertelt eigenaar Sebastiaan Mekes in het café, onder het dartbord. „Die dronken wat, bestelden sigaretten, een tosti. En dan was het: straks komt Joost, die betaalt wel.” Dat gebeurde ook. Maar klanten stoorden zich eraan. „Ik heb hem gezegd dat hij dat beter niet meer kon doen.”

Oorknopjes

„Het was niet zo dat het hele dorp het maar goed vond”, zegt Rina Kleinepier (62), een kleine vrouw met kort haar en groene oorknopjes. „Hoe ver het ging en hoe erg het was hebben wij nooit geweten.” Haar man Adri doet het ‘crisispastoraat’ in hun kerk, de PKN: het bezoeken van mensen met problemen. Nooit, zegt hij, kwam Joost W. ter sprake. Dat hij berecht wordt, vindt het dorp goed. Een 36-jarige man: „Als er slachtoffers zijn, vind ik dat het ook bestraft mag worden.”

Ko Houmes wil niet veel zeggen over Joost W., die heeft behoord tot zijn kerk en zijn neef is. Joost is Joost, zegt hij gezeten in een fauteuil naast de kachel in zijn vrijstaande huis. Niet de dorpsgek, meer een kleurrijke figuur. „Hij werd met al zijn tekorten, misstappen toch wel gedragen.” Zijn vrouw Jannie, in glanzende grijze rok tot over de knie, staat te strijken en voegt zich later bij het gesprek. Zij zegt het ook. Joost is Joost.

De gereformeerde gemeente heeft hem niet verstoten, zegt Ko Houmes. Maar lid is hij niet meer. „Hij heeft zelf voor het lidmaatschap bedankt. Jaren geleden al.” De reden was duidelijk. „De kerk treedt altijd helend op. Als je lid bent word je aangesproken op je levenswijze, je handelingen.” Wie geen lid meer is, niet. „Daar heeft de kerk geen bemoeienis mee.” Dat W. toch naar de kerkdiensten bleef komen, werd alleen getolereerd, zegt Houmes. „Je zei hem gedag en daar hield het mee op.”

Veel dorpsbewoners denken dat zijn huwelijk gearrangeerd was door de kerk. Dat is niet zo, zegt Ko Houmes. „Ze is ervoor gewaarschuwd”, zegt zijn vrouw. Ko Houmes: „Zijn huwelijk was een persoonlijke keuze. Het is wel gesloten met de gedachte dat het invloed op zijn leven zou hebben. Dat is niet gebeurd.”

Westkapelle is Westkapelle. Een dorp van kleine huizen met kleine tuinen. Het dorpse karakter is bewaard gebleven. Hoewel het toerisme de voornaamste bron van inkomsten is, zijn er maar vier hotels. De restaurants blijven ’s winters open; ze worden ook door bewoners bezocht. Resort Kreek & Duin ligt even buiten het dorp, de zeven campings liggen uit het zicht aan zee. Ook de dorpsgemeenschap bleef intact, verbonden door de armoede van eeuwen, oorlog en wederopbouw.

Wat hier echt niet kan, is grootspraak. „Nooit zal iemand je de hemel in prijzen”, zegt Ans Dingemanse. „Iedereen is gelijk. Als je opschept, lig je eruit.” Verder kan er veel. Ada van Hoof verhuisde 22 jaar geleden met haar vriendin uit Eindhoven naar Westkapelle. Als bewijs van integratie dragen ze een bijnaam, in dialect: ‘De meissen’. „In Eindhoven zaten we altijd in besloten clubs, je moest je afsluiten van de samenleving. Hier hebben we nooit problemen gehad. In dit dorp mag je gewoon zijn.”

Zo ook Joost W. Als hij zijn straf heeft uitgezeten, kan hij terugkomen, zeggen veel bewoners. Anderen betwijfelen dat. Kroegbaas Sebastiaan Mekes: „Ik denk dat er toch wel veel kwaad op hem zijn. Omdat ze niet wisten hoe het helemaal zat.”