Duitse president Gauck: februaristaking les voor nu

We moeten niet alleen het misdadige bombardement op Rotterdam en de moord op de Joden herinneren, maar ook het heldhaftige verzet hiertegen. Vrijheid moet altijd weer worden bevochten, ook nu, in het verenigde Europa en elders, stelt Joachim Gauck.

Voor u staat een dankbaar man, geroerd en zeer verheugd over het feit dat het Nationaal Comité 4 en 5 mei de Duitse bondspresident heeft uitgenodigd om hier in Breda een lezing te houden. Ik ben geboren in 1940, het jaar waarin Nederland slachtoffer werd van de Duitse grootmachtpolitiek en rassenwaan. Het is voor een Duitser – en zeker voor mij – geen vanzelfsprekendheid dat ik vandaag hier bij u mag zijn en zelfs tot u mag spreken. Het Nationaal Comité heeft mijn land en mij met deze uitnodiging groot vertrouwen geschonken – een geschenk dat wij niet zullen vergeten.

Ik behoor tot een generatie Duitsers die meestal pas op pijnlijke wijze heeft geleerd dat het oude gezegde right or wrong – my country niet meer kan gelden. Wij hebben geleerd dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen een vaderland en een onrechtvaardig regime, dat verzetsstrijders geen hoogverraad plegen of landverraders zijn, dat emigratie geen lafheid en desertie niet verkeerd hoeft te zijn. Wij hebben geleerd dat er geen onverbrekelijke trouw mag bestaan aan een regering die het leven en de waardigheid van de mensen met voeten treedt, integendeel. Tegenover een onrechtvaardig regime staan wij aan de kant van degenen die – zoals bondspresident Theodor Heuss in 1954 zei – trachten om aan de staat de moorddadige boosaardigheid te ontnemen en het vaderland te redden van vernietiging.

Juist omdat wij Duitsers de last en de schuld van de geschiedenis op ons hebben genomen, geldt voor ons en geldt ook voor mij: wij vieren samen met iedereen de bevrijding van het nationaal-socialistische juk, wij vieren mee met iedereen die destijds zijn onafhankelijkheid en vrijheid weer terugkreeg en wij voelen mee met iedereen die juist nu in andere delen van de wereld de vrijheid ontdekt of herontdekt.

Duitsland en Nederland zijn niet alleen partners in de Europese Unie en de NAVO – we zijn ondanks het leed dat nazi-Duitsland ook over uw land heeft gebracht, onderdeel geworden van het grote project dat naties ongeacht grenzen en tradities tot een gemeenschappelijk geheel heeft samengevoegd. Onderdeel van een project waarin de volkeren niet meer tegen elkaar worden opgehitst, maar in wederzijds respect voor de mensenrechten zullen zijn verenigd. Het is het ja tegen de vrijheid dat vroeger de Nederlandse natie schiep en dat nu de basis vormt van onze gemeenschap. Zo zijn we nauwer verbonden dan door de verdragen die ons binden.

We voelen ons evenwel ook met elkaar verbonden in het verdriet als we hier in Breda de meer dan honderdduizend Nederlandse Joden herdenken die het slachtoffer werden van de uitroeiingspolitiek van Hitler-Duitsland. Eerst was Nederland een toevluchtsoord voor veel Duitse Joden, onder wie ook Anne Frank en haar ouders. Daarna volgden de deportaties. Driekwart van de in Nederland levende Joden werd in de concentratie- en vernietigingskampen vermoord of stierf aan mishandeling, honger of ziekte.

Ik denk – niet in de laatste plaats – aan honderdduizenden Nederlanders, die voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland werden gedeporteerd; aan zo velen die honger moesten lijden of gedwongen evacuatie en het verlies van hun geboortestreek moesten verduren; maar ook aan diegenen, met name in het toenmalige Nederlands-Indië, voor wie de oorlog op 5 mei nog niet afgelopen was en het lijden en sterven doorgingen.

Als we ons nu, na 67 jaar, het einde van de oorlog herinneren, moeten we ons niet alleen bewust zijn van de schanddaden en misdaden als het bombardement van Rotterdam. Ook de daden van ongehoorzaamheid, sabotage en verzet van militairen en burgers dienen te worden herinnerd.

Ik geef het toe: vóór deze reis wist ik niets van deze algemene staking, die zich verspreidde over heel Noord-Holland. Met ongelovige verbazing en grote bewondering las ik dat bedrijven gesloten bleven, arbeiders op scheepswerven en in fabrieken het werk neerlegden en scholieren geen lessen volgden, om gevolg te geven aan de stakingsoproep van de illegale Communistische Partij Nederland – uit protest tegen de deportatie van de eerste vierhonderd Joden uit Nederland naar het concentratiekamp Mauthausen.

Eens te meer begreep ik dat zulke voorbeelden op tweeërlei wijze belangrijk zijn – enerzijds voor de volkeren waaruit de verzetsstrijders afkomstig zijn, maar ook voor mensen uit andere volkeren en andere generaties, met andere uitdagingen en crisissituaties. Wij leren uit tijden van oorlog en vervolging waartoe de mens in staat is, in het slechte, maar ook in het goede.

Ik herinner aan de uitgever Emanuel Querido, die in Amsterdam een eigen uitgeverij voor vervolgde exil-schrijvers uit Duitsland oprichtte. Querido werd later, toen hij ondergedoken zat, verraden en met zijn vrouw vermoord in het vernietigingskamp Sobibor.

We prijzen deze mensen. Het was echt niet vanzelfsprekend om zich niet gewoon in het onvermijdelijke te schikken, om maar niet te spreken van het plegen van verzet. Zelden is de houding evenwel zo ondubbelzinnig als bij verklaarde tegenstanders van een dictatuur. In lang niet alle families zijn de meningen en daden onverdeeld. Harry Mulisch heeft eens de schokkende zin geformuleerd: „Ik ben de Tweede Wereldoorlog.” Hij schetste het feit dat zijn ouders slachtoffer en dader waren. Zijn moeder was een Jodin en zijn vader de beheerder van geariseerd vermogen bij een bank. Door de positie van zijn vader konden Harry Mulisch en zijn moeder overleven, maar door diezelfde positie werd zijn vader na de oorlog bestraft als collaborateur.

Voor de Europese eenwording in vrede was het vuur van de vrijheid van het begin af aan een bepalend element. Uw landgenoot Hendrik Brugmans zei hierover, op het congres van de Europese Beweging in mei 1948, dat Europa de filosofie is van de niet-aangepasten, de plek van degenen „die voortdurend in tweestrijd zijn, waar geen zekerheid als waarheid wordt geaccepteerd, wanneer die niet steeds opnieuw wordt ontdekt. (…) Overal zal de vlag van Europa de vlag van de vrijheid zijn.”Die vrijheid moet telkens opnieuw worden bevochten.

De „stap naar mondigheid”, waarover Immanuel Kant sprak, hebben de Nederlanders in Europa zeer vroeg gezet. Ook dat gaf de Duitsers in de negentiende eeuw moed om zich aan te sluiten bij de opkomende vrijheidsbeweging. Hoewel de revolutie van 1848 en 1849 in de Duitse landen mislukte, leefden de ideeën voort. Het kasteel van Hambach in de Palts, de Pauluskerk in Frankfurt en andere plaatsen van vrijheid getuigen hiervan tot op heden.

We kunnen er trots op zijn dat de burgers van vrijwel alle Europese staten zich kunnen wenden tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en een eventuele inbreuk op hun individuele grond- en mensenrechten kunnen laten toetsen.

We kunnen er trots op zijn dat er bij het Internationaal Strafhof in Den Haag een aanklacht kan worden ingediend over volkerenmoord, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en aanvalsoorlogen. Daders mogen er niet op kunnen hopen dat zij hun straf ontlopen. De weg is moeizaam en lang, maar ons doel staat vast: de sterkte van het recht moet overal ter wereld zegevieren over het recht van de sterkste.

Duitsers en Nederlanders weten, niet in de laatste plaats door hun gezamenlijke militaire inzet in Afghanistan en Kosovo, hoe lang deze weg is en met welke offers hij verbonden kan zijn. Mensenrechten zijn universeel. Hun taal wordt overal begrepen – zowel in Azië als in Europa, Amerika of Afrika: overal ter wereld ontwaken mensen en eisen hun rechten op – zelfs als er nog geen duizenden de straat op zijn gegaan en, zoals destijds in Oost-Duitsland, roepen: „Wij zijn het volk!”

Terwijl andere volkeren door de geest van de vrijheid worden geïnspireerd, beseffen veel mensen in Europa de zegen van de vrijheid nog slechts in beperkte mate. Ze zien vrijheid ten onrechte als bandeloosheid, als de belofte van een hedonistisch leefmodel, als politieke of ethische willekeur of als oproep tot het afzien van deelname aan de maatschappij.

67 jaar geleden zouden we de bestaande toestand slechts hebben kunnen ervaren als paradijselijk. Drie generaties lang delen Nederlanders en Duitsers hun waarden en zetten ze zich in Europa en de hele wereld hiervoor in.

Dit is een bekorte versie van de toespraak die de Duitse president Joachim Gauck zaterdagmorgen hield bij de nationale viering van de bevrijding, in de Grote Kerk in Breda, in aanwezigheid van premier Rutte. In het boek Bevrijding vieren – verantwoordelijkheid nemen staat de volledige tekst. Deze maand verschijnt van Gauck de bundel Laat je niet regeren door angst, maar door moed.