De kanonnen van Chopin

New Look, Bauhaus, femme fatale. Europa is meer dan bureaucraten in Straatsburg en dictaten uit Brussel. In een serie over de cultuur die het continent bindt: de polonaises en mazurka’s van Chopin.

Polonaise! Hoe een langzame Poolse dans in driekwartsmaat ooit heeft kunnen verworden tot de hospartij in sliertvorm die we kennen van carnaval, mag een raadsel heten. Maar als iemand zich bij die evolutie in zijn graf heeft omgedraaid, dan is het Frédéric Chopin (1810-1849). De Pools-Franse componist, in zijn geboorteland bekend als Fryderyc Szopen, heeft als geen ander zijn best gedaan om de van oorsprong zeventiende-eeuwse polonez tot hogere kunst te verheffen. Achttien polonaises schreef hij, bijna allemaal voor piano, en daar zitten inmiddels wereldberoemde tussen, zoals de ‘militaire’ (Op. 40 in A groot) en de ‘heroïsche’ (Op. 53 in As groot) – beide zelfs voor toppianisten een uitdaging.

Hun bestaan danken de meeste van Chopins pianopolonaises aan de politiek, of liever aan de oorlog. In november 1830, een paar weken nadat Chopin – met in zijn bagage een beker met Poolse aarde – zijn land had verlaten om in het Westen carrière te maken, brak in Warschau een opstand tegen de Russische tsaar uit. Het neerslaan daarvan, en de daaropvolgende repressie, zorgde ervoor dat Chopin nooit meer terugkeerde naar zijn land. Hij streek neer in Frankrijk (waarvandaan zijn vader veertig jaar eerder was geëmigreerd), ging wonen in Parijs, verfranste zijn naam, nam om praktische redenen de Franse nationaliteit aan en drukte zijn liefde voor Polen uit in zijn muziek. Niet alleen in zijn variaties op de polonez en die andere Poolse volksdans, de mazurek, maar ook bijvoorbeeld in de ‘Revolutie-étude’ (Op. 10) en het scherzo in B klein (Op. 20).

Een van Chopins vriendinnen, de Franse schrijfster George Sand, noemde hem de grootste patriot onder de musici. Volgens haar was hij Poolser dan welke Fransman ooit Frans was geweest, en ontsprong zijn muziek net als zijn ziel aan het verwoeste, onderdrukte Polen. Zijn leeftijdgenoot Robert Schumann hoorde in zijn muziek „kanonnen onder de bloemen”. Waarbij moet worden aangetekend dat de strijdbare titels van Chopins ‘Poolse’ composities pas later werden bedacht; de componist zelf hield het bij een aanduiding van het genre en een nummer. In zijn naamgeving was hij bepaald antiromantisch. Zo heet zijn beroemde prelude in des groot, een van de 24 die hij schreef als eerbetoon aan Das wohltemperierte Klavier van Bach, gewoon de 15de. Postuum werd daar ‘Regendruppelprelude’ van gemaakt.

Meer dan als een uiting van nationalisme, kun je de polonaises en de mazurka’s van Chopin zien als romantische Sehnsucht naar een onbereikbaar vaderland. Ze staken de Polen een hart onder de riem, zelfs al konden die er onmogelijk op dansen. Daarvoor klonken de stukken te ingewikkeld, doordesemd als ze waren van klassieke vormen als contrapunt en fuga en het gebruik van dissonanten en halve toonsafstanden. Het waren niet de enige vernieuwingen waarmee Chopin de muziek voor piano – een instrument dat nog maar ruim een eeuw oud was – op een hoger plan bracht. Behalve diepte aan volkse dansen als de wals en de mazurka gaf hij een zeer vrije invulling aan klassieke vormen als de sonate, de etude (die bij hem in de eerste plaats virtuoos was), de ballade (die hij instrumenteel maakte) en het scherzo (dat hij tot een zelfstandig, dramatisch muziekstuk verhief). Veel van zijn composities worden gekenmerkt door tempo rubato, expressief spel met veel ritmische vrijheid. Zijn neiging om met links vooral het ritme aan te geven, leverde het voormalige wonderkind de bijnaam ‘het genie van de rechterhand’ op.

Chopins invloed was dan ook tweeledig. Als componist kon hij rekenen op de bewondering van Schumann en Liszt (die zich vooral door zijn etudes lieten inspireren) en later van Brahms, Skriabin en Debussy. Als pianist was hij een voorbeeld voor zo ongeveer alle groten, van Paderewski en Rachmaninov tot Rubinstein en Horowitz en van Ashkenazy en Argerich tot Pollini en Perahia. Verrassender was zijn postume populariteit in de Caraïben. De uit New Orleans afkomstige componist Louis Moreau Gottschalk schreef in 1860 de eerste ragtime onder invloed van Chopin. En de leden van de vermaarde Curaçaose muziekfamilies Palm en Corsen componeerden generatie na generatie Chopineske ‘danza’s’ en treurwalsen, zoals Jan Brokken heeft laten zien in Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin (2005). De mazurka, ‘ontstaan in de Poolse sneeuw’, ontdooide volgens Brokken pas volledig onder de Antilliaanse zon.

Geheel in de romantische traditie overleed Chopin relatief jong aan tuberculose, na een groots en meeslepend leven met enorme successen en dito liefdesperikelen. Overeenkomstig zijn laatste wens werd zijn hart uit zijn lichaam gehaald, in alcohol geconserveerd en later door zijn zuster naar Warschau gesmokkeld, waar het in een zuil van de Heiligkruiskerk werd bijgezet. De rest van Chopin werd in Parijs begraven na een mis in de Madeleine waarin het Requiem van Mozart was opgenomen – met Frans Liszt op het orgel. Drieduizend mensen, onder wie Eugène Delacroix en alle Poolse expats in Parijs, brachten hem naar zijn laatste rustplaats op Père Lachaise, waar het derde deel werd gespeeld van de sonate nummer 2 in Bes klein, tegenwoordig bekend als de te pas en te onpas geparodieerde ‘Dodenmars’. Chopins graf, versierd met een beeld van de muze Euterpe die huilt boven haar gebroken lier, was meer dan een eeuw lang de grootste trekker van de Parijse begraafplaats. Alleen het graf van Doors-zanger en aartsromanticus Jim Morrison is tegenwoordig populairder bij de toeristen.

Pieter Steinz