De critici van Eltahawy zijn blind voor die vrouwenhel

De feministe Mona Eltahawy schreef onlangs een zinderend artikel over vrouwenonderdrukking. Die is inherent aan de islam, betoogt Hafid Bouazza.

Sinds de moord op Theo van Gogh en het vertrek van Ayaan Hirsi Ali is het saai en dul geworden in Nederland. Spot met slagtanden en intelligente woede that speaketh daggers but useth none worden node gemist. Al was het maar omdat hun felle redelijkheid de volmaakte waanzin buiten de deur hield en het wankele geloof in de mensheid overeind.

Er zijn zaken die steeds onder de aandacht gehouden moeten worden; voor deze herhaling of variaties op een thema is stamina vereist. En zelfvertrouwen. De herhaling kan de raderen van het polemische denkwerk scherpen. Opvallend en ironisch genoeg lijkt de afstomping met het mikpunt van deze polemiek meer tijd in beslag te nemen dan die met de polemiek zelf.

Met andere woorden: men krijgt sneller genoeg van het lezen over „de vijfde colonne van geitenneukers” dan over de veroorzaakers van het deerniswekkend gemekker in dezelfde omheining. Men werd sneller moe van Hirsi Ali’s strijd tegen de misogyne islam dan van de oorsprong van het geschrei in de kerkers van vrouwenhaat. Het kan niet anders zijn dan dat de constante prikkeling van eloquentie het moet afleggen tegen vergoelijkende litanies en mantra’s. Strijdbaarheid tegen monomanie. Verandering is een kwestie van beweging en beweging een kwestie van herhaling – islam van roest.

Anders kan ik het niet verklaren dat men zo’n drogverschijnsel als ‘islamofobie’ nog steeds als schild gebruikt en dat het ook nog serieus genomen wordt. Met islamitische misogynie schijnt men minder moeite te hebben, als men er al moeite mee heeft, terwijl haat mij een zorgwekkender drijfveer lijkt dan angst. Angst verkrimpt, maar komt ook voort uit overlevingsdrang.

En hoezeer Ayaan Hirsi Ali wordt gemist in Nederland blijkt als ik een artikel onder ogen krijg, geschreven door een niet te muilkorven vrouw. Een roekeloze aanklacht, waarbij het brein een waar neuronensalvo heeft afgevuurd. Dolken, zei Shakespeare? Een verbale wervelwind. Elke zin een windstoot; elke alinea een zwiepende tak. Zo’n verbaal salvo heeft Mona Eltahawy afgevuurd in Foreign Policy onder de titel Why do they hate us? Een terug-in-je-gezicht-titel: dit is wat men zich in Amerika afvroeg na de aanslagen van elf september 2001. They zijn nog steeds moslims, maar met ‘ons’ bedoelt zij vrouwen.

Ik kan haar artikel met al mijn harten niet genoeg aanbevelen.

Uiteraard kwamen de tegenartikels snel en voorspelbaar. Eltahawy zou met haar generaliserende titel, die als in een passacaglia steeds terugkeert in haar stuk, een monolithische visie op de islam tentoonstellen. Als de islam niet monolithisch is, waarom voelden de moslima’s die erop reageerden zich dan aangesproken? Ook zou ze vooroordelen over de islam en man bevestigen. Men kan zich afvragen wie deze vooroordelen bevestigt: mannen die hun obscurantistische waanvoorstellingen op vrouwen botvieren of een vrouw als Eltahawy die dit aan de kaak stelt. Zij is het niet die vijftien meisjes het vluchten uit een brandende school onmogelijk maakte omdat ze ‘onzedig’ gekleed zouden zijn geweest. Zij heeft het water van schoolmeisjes niet vergiftigd als protest tegen hun onderwijs. Zulke voorbeelden (ze geeft er meer) zijn geen ‘vooroordelen’, maar een bewijs van een onbegrijpelijke geestesgesteldheid die een hysterische afkeer toont van het vrouwelijk geslacht die niet anders dan als haat omschreven kan worden. Probeert u zich maar in deze mannen te verplaatsen – zonder tussenkomst van Allah.

Het blijft voor mij verbijsteringwekkend, deze roep om regenbogen van nuances wanneer zwarte daden ontmaskerd worden. Blijkbaar is het bloederig blazoen van een instituut als de islam belangrijker dan de helledoem van vrouwen. Het geschreeuw van vernedering behoeft niet een minstreel als verkondiger. De rozebrillendragende islamapologeten zijn het ergst: hun oplossing is de ogen van de zwartkijkers eruit te rukken zodat de zwarte kappen van de beulen niet meer opvallen.

In een op zich intelligent antwoord op Eltahawy’s stuk ging Nesrine Malik in The Guardian zelfs zover om de schuld van de huidige misogynie gedeeltelijk te leggen bij „pre-islamitische mores”! Arme islam! De ware vijand van de vrouw, zo ging zij door, waren niet de mannen, nee, dat was het patriarchaat. Zulke retorische trucjes werken natuurlijk niet: een metonymie verhult het geslacht van het onderdeel niet. Apodictie behoort tot de retorica van de tirade en Eltahawy maakt er gebruik van, en ik zie geen reden om haar dit te ontzeggen. Zelfs de illustratie bij haar stuk wordt aangevallen. There is a fine line to tread when writing about the status of Arab or Muslim women, nuanceert Malik. Hoewel zij, nogmaals, een punt heeft, komt deze niet genuanceerd, maar harteloos over als men leest wat voor horrors Eltahawy aanklaagt.

Wie een ‘weerlegging’ van Eltahawy wil lezen die van een adembenemende stompzinnigheid is, moet Max Fisher in The Atlantic hebben. Liefhebbers van Edward Saïd en Novibfanaten zullen zijn schrijfsels met gretige instemming verslinden. „De ware wortels van het seksisme in het Midden-Oosten” liggen, volgens deze denker, namelijk niet in religie en cultuur; hij schrijft: „Sommige van de belangrijkste architecten van de geïnstitutionaliseerde Arabische misogynie waren in feite geen Arabieren. Zij waren Turken, Britten en Fransen. Deze vreemdelingen heersten eeuwenlang over de Arabieren.” Eeuwenlang? Anders dan de Ottomanen, hoelang regeerden Fransen en Britten Arabische landen? Fransen hielden Algerije 132 jaar onder de knoet, geen „eeuwen”; Fransen verlieten Egypte, na de inval door Napoleon in 1798, in 1801. Bij elkaar was Egypte 67 jaar onder westerse heerschappij; Syrië 21 jaar en Irak vijftien jaar. Saoedi-Arabië is nooit onder westers bewind gekomen.

De misogynie, volgens Fisher, zou het resultaat zijn van een „patriarchale onderhandeling”: mannen kregen allesoverheersende zeggenschap over de vrouwen en de vrouwen kregen niks. In de eeuwen daarvoor moeten de islam, Koran en Hadith geen enkele invloed hebben gehad. Moslims waren nobele wilden die besmet raakten met verderfelijke westerse bacteriën en virussen. Hoe kwam Ahmed el Aswany er dan ook bij om op de website elbashayer.com te schrijven: „Wie de profeet schaadt, is degene die de opvatting heeft dat de vrouw een obsceniteit is en het gebed ongeldig maakt, waarin zij niet verschilt van een hond en een ezel, zoals het vermeld staat in de beroemde Hadith, en dat de vrouw gebrekkig is van verstand en in haar geloof”? Om dan heel raak te vervolgen: „Het is betreurenswaardig dat de meerderheid van de moslima’s geloven in de authenticiteit van deze Hadiths die hen schaden.”

Dus het vrouwelijk parlementslid van de Moslimbroeders in Egypte, Azza al-Jarf, die ijvert tegen het recht van vrouwen op scheiding en voor vrouwenbesnijdenis, is een marionet van de snode Franse en Britse kolonialisten en slachtoffer van een patriarchaal handjeklap?

Het stuk van Fisher riekt zo naar de ‘stencilmasjientjes’ en nietjes van de jaren zeventig van de vorige eeuw dat het een klein wonder mag heten dat hij niet is overreden tijdens het oversteken naar de eenentwintigste eeuw.

Ook ik wil Mona Eltahawy in één aspect tegenspreken: Eltahawy heeft het over mannen „die zijn blijven steken in de zevende eeuw”. Dat is niet geheel waar: deze mannen leven in de 21ste eeuw, of we het willen of niet. Dit is de islam van deze dag en uur, of we het willen of niet. Natuurlijk zullen er stemmen opklinken die menen dat deze mannen de islam ‘misinterpreteren’, maar om iets te misinterpreteren moet er wel iets te interpreteren zijn. Of, om een andere favoriet van de islamapologeten te gebruiken: extremisten die de islam kapen. Er moet wel iets te kapen zijn, nietwaar.

Geen relativering of nuancering kan de basis van de islam recht spreken. Er is namelijk iets in den gronde mis met de islam en daar helpt geen lieve apologetische moer tegen. Wat zogenaamde gematigde moslims ook mogen zijn, zij zijn in elk geval de overtreders die de regels niet aanpakken uit angst dat de regelmaker weleens gelijk zou kunnen hebben. Slappelingen. Donkerekamerbezoekers die het daglicht prijzen.

Het zijn de iconoclasten en onbevreesden zoals Mona Eltahawy die ruimte geven aan angstige beveraars om het uitzicht vanuit hun voormalige gevangenis te prijzen. Mocht het erop lijken dat ik hiermee suggereer dat ik vind dat alleen afbraak tot vernieuwing kan leiden, dan klopt dat.

Eens leefde er een koning die mank was, blind aan één oog en een arm had die korter was dan de ander (een soort Frank Zappa’s Dancing Fool). Hij liet schilders komen om hem af te beelden, maar hij was zo beledigd door wat hij te zien kreeg – zichzelf met zijn gebreken – dat hij elke schilder liet onthoofden. Totdat er een schilder kwam die de koning afbeeldde terwijl hij een pijl en boog spande: steunend op een knie, de kortere arm die de pijl spande met de hand voor zijn blinde oog. Deze schilder werd rijkelijk beloond.

Mona Eltahawy is niet deze schilder.

Hafid Bouazza is schrijver. Het artikel van Eltahawy stond gisteren op de Opiniepagina’s van NRC Handelsblad.