Burgers hebben aandacht nodig

Lijkt het maar zo, of is Nederland deze eeuw werkelijk vergaand veranderd? Twee wetenschappers met ruime blik op de maatschappij denken van wel. Ze constateren een gebrek aan houvast. „We snakken naar leiders, waar we vervolgens niet naar zullen luisteren.”

Illustratie Sebe Emmelot

Historicus James Kennedy zegt: „We zijn getuige van de geleidelijke aftakeling van de samenleving en het eind ervan is nog niet in zicht.”

Socioloog Hans Boutellier zegt: „Op de vraag ‘is dit een revolutie die we nu meemaken?’ ben ik geneigd ‘ja’ te zeggen.”

Twee wetenschappers met een ruime blik op de maatschappij. Ze spreken over de vraag of het maar zo lijkt, of dat Nederland in de 21ste eeuw werkelijk diepgaand is veranderd. Ze zeggen allebei ‘ja’, maar de een is pessimistischer over de ontwikkeling dan de ander.

Volgens de Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy zijn de vooruitzichten „onzeker en niet zo gunstig”. „De Nederlander van nu is minder zeker of hij het globaliseringsproces wel meester kan worden. Kunnen wij nog profijt hebben van de moderne wereld? Die fiducie is verdampt.”

Zelf denkt Kennedy, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, „niet of nauwelijks” aan deze zaken. „Met mijn goedbetaalde baan van nu ben ik altijd beter af in vergelijking met hoe ik het vroeger had. Ik reis elke 18 maanden naar de VS. Kunnen mijn kinderen dat straks ook nog? Het besef dat de toekomst minder gunstig kan zijn dan de tijd die achter ons ligt, heeft een sterke invloed op de publieke moraal. De zorgen daarover zijn in Nederland ongekend groot.” Hans Boutellier, hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam, is laconiek: „Er is een moment dat je het maar te accepteren hebt.”

Onzekerheid is het sleutelbegrip in de gesprekken met beide onderzoekers; de samenleving zoekt naar nieuw houvast. „We leven in een abstractere werkelijkheid dan vroeger”, zegt Boutellier. Hij trekt in zijn boek De improvisatiemaatschappij de vergelijking met jazzimprovisatie: „Muziek die nooit eerder zo geklonken heeft, maar die toch in een traditie staat.” Voor hem is dat de hoogste vorm van organisatie – „zoveel vrijheid en toch zoveel structuur” – die veel discipline, flexibiliteit en beheersing vraagt van de deelnemers.

Veel anders dan zich aanpassen kunnen de Nederlanders in 2012 niet, zegt Kennedy. „Het leven in 1912 kon nog worden begrepen door een serie beginselen consequent na te leven en uit te voeren. Maar een terugkeer naar ideologie lijkt me onmogelijk; het electoraat denkt niet langer zo.” Politieke partijen als het CDA of de PvdA die maar op zoek blijven naar Het Grote Verhaal en iemand om het goed te vertellen, staan volgens Boutellier met hun gezicht naar een voorgoed voorbij verleden. „Ik heb lang gedacht dat we zoiets nodig hadden, een nieuw beschavingsverhaal, een nieuw motief. Daar ben ik intussen van genezen.”

Hier komen de verschillen aan het licht. Kennedy is somber over het vermogen tot samenleven in een tijd zonder zo’n nieuw gemeenschappelijk motief. „De ont-nationalisering begint zich te wreken. Er is de behoefte vorm te geven aan een nationale samenleving, om die te koesteren – en tegelijkertijd kan of wil men er niet in geloven. De gemeenschappelijke taal ontbreekt, er is een allergie tegen wat ons bindt. Dat is ook mijn kritiek op de canon voor het onderwijs, die vijftig vensters van de Nederlandse geschiedenis. Vijftig vensters! Dat is geen verhaal. Dat is de balkanisering van de vaderlandse geschiedenis.”

Boutellier is het in zoverre eens met Kennedy dat hij zegt: „We snakken naar leiders, waar we vervolgens niet naar zullen luisteren.” Maar hij ziet in de individualisering van de samenleving nieuwe opbouwende elementen. „Burgers verhouden zich tot elkaar en anderen in robuuste netwerken.”

Ook Kennedy ziet dat. „Met het geleidelijke terugtreden van de verzorgingsstaat treedt actief burgerschap naar voren, de georganiseerde solidariteit van de civil society. Je hebt mensen nodig om de samenleving bij elkaar te houden. Je moet, om het heel concreet te zeggen, mensen hebben die de gaarkeukens bemannen.”

Maar de vraag is of die netwerken opgeteld een samenleving vormen. Kennedy is sceptisch, zeker als hij kijkt naar de politieke gevolgen van de individualisering. „Je zou verwachten dat het populisme zijn aanhangers aanmoedigt het heft in eigen handen te nemen. Maar hier is de voorman van de populisten iemand die het enige lid van zijn partij is, en kan zijn. Voor mij bevestigt dit een patroon: politieke mobilisatie is hier geen zaak van burgers. Nederland is niet toevallig het land waar maar 2,5 procent van de kiesgerechtigden lid is van een politieke partij. In de VS is actieve betrokkenheid bij campagnes, bij allebei de partijen, ongeveer tien procent. Dit is kennelijk de Nederlandse variant op het populisme, die vraagt geen offers van mensen zelf, die vraagt hun niet actie te ondernemen. Mij lijkt dat allemaal slechter voor de democratie dan de Tea Party, die mensen mobiliseert.”

Boutellier denkt dat er wel degelijk structurerende krachten in de netwerken zit. „Het is misschien moeilijk uit te leggen en zeker minder makkelijk te doorzien – vandaar mijn vergelijking met jazzimprovisaties. Maar de netwerksamenleving heeft ook een groot voordeel. Zij is in beginsel open en doorlaatbaar. Een burger kan altijd wel iemand vinden om een constructieve relatie mee aan te gaan.”

De nieuwe uitdaging voor de overheid daarbij is volgens Boutellier of zij, gegeven de onzekerheid en complexiteit, geborgenheid en zekerheid weet te geven. „Ik heb in toenemende mate – haha, dat is wel de softe lijn – het gevoel dat burgers behoefte hebben aan aandacht. Ze zijn redelijk, als je het uitlegt. De leefwereld van de burger en de systeemwereld van de overheid zijn de laatste decennia uit elkaar gegroeid. De systeemwereld heeft verzuimd haar werk betekenis te geven en mensen te laten merken dat ze ertoe doen. Dat zij mensen kan aanspreken op wie ze zijn.”

Boutellier heeft een simpel voorbeeld. „Ombudsman Alex Brenninkmeijer adviseerde de Belastingdienst: ‘stop nou eens met brieven schrijven, pak de telefoon en bel met mensen om zaken uit te leggen’. Het lijkt simpel, maar dat is wel het niveau waarop vertrouwen moet worden teruggewonnen.”

En wat de Nederlanders dan delen? Boutellier: „De continuïteit van de samenleving. En dat is een sterke notie.”