Brieven wetenschap

Open access

Onder de titel De academische lente houdt Robbert Dijkgraaf een vurig pleidooi voor een structureel ‘open access’-beleid (Wetenschapsbijlage 28 april). Hij baseert dit pleidooi op het principe dat wetenschap ‘in de diepste kern’ een publieke zaak is en dat publiek gefinancierde wetenschap vrij toegankelijk dient te zijn. Dit principe kan ik alleen maar onderschrijven. Maar het is even belangrijk na te denken over de gevolgen van de toepassing van deze principes. En hier wringt de schoen voor de geesteswetenschappen. Hun situatie is op relevante punten sterk verschillend van die in de natuur- en levenswetenschappen.

Open access impliceert een verschuiving in de financiering van de verspreiding van onderzoeksresultaten. Natuurlijk blijven er kosten verbonden aan het publiek maken van deze resultaten. Bij tijdschriften worden deze kosten niet meer gedragen door uitgevers en abonnees maar primair (en terecht) door publiek gefinancierde organisaties, en in het bijzonder door de universiteiten zelf.

Hoe ziet het kosten-batenplaatje van dit open access-beleid er voor de verschillende disciplines uit? Voor de natuur- en levenswetenschappen lijkt de balans gunstig. Hier kunnen bibliotheken en afdelingen de kosten van dit beleid financieren uit de besparingen op de dure abonnementen en de vaak stevige auteursbijdragen.

Maar in de geesteswetenschappen (en vermoedelijk ook in een behoorlijk deel van de sociale wetenschappen) is de situatie totaal anders. Hier zijn de institutionele tijdschriftabonnementen relatief goedkoop (zo tussen de 400 en 1.000 euro), terwijl bijna nooit een auteursbijdrage gevraagd wordt. Dit betekent dat in deze disciplines de besparingen van het open access-beleid bij lange na niet voldoende zijn om alle kosten ervan te compenseren.

Het meest waarschijnlijke gevolg is dat ook auteurs in de geesteswetenschappen voor publicaties in een gratis toegankelijk tijdschrift een behoorlijke bijdrage gaan betalen. Dit zal vooral gelden voor de internationale toptijdschriften, waar die bijdrage nu gemiddeld tussen de 1.000 en 1.500 euro per artikel ligt. Dit komt neer op een substantiële lastenverzwaring voor afdelingen en onderzoekers in de geesteswetenschappen. Deze wetenschappers zullen zeer goed op de hoogte raken van de actuele stand van zaken in de wetenschap. Maar er zelf via publicaties aan bijdragen kan voor velen (zeker in de armere, maar ook in de rijkere landen) zeer moeilijk, zo niet onmogelijk, worden.

Hans Radder

Hoogleraar filosofie van wetenschap en technologie, VU Amsterdam

Friese leenwoorden

In het artikel van Liesbeth Koenen over de door prof. Rolf Bremmer te houden lezing (Terp, Fries voor dorp, werd in het Hollands een heuveltje, maandag 23 april) staat een fout die heel veel gemaakt wordt. ‘Op zijn elfendertigst’ heeft namelijk niets met de elf steden en dertig grietenijen van Friesland te maken, al is het een op zich begrijpelijke fout. Het slaat op weven. Hierbij geef ik u een verklaring. Helaas weet ik niet meer waar ik het vandaan heb, maar het zal wel uit een weefboek komen.

‘Op zijn elfendertigst slaat niet op Friesland met, destijds, zijn elf steden en dertig grietenijen, waar een overheidsstuk lang onderweg was, omdat het langs al die 41 posten moest, maar op de kam (riet) van een weefgetouw of weefstoel, waardoor 4.100 draden of 41 gangen geschoven konden worden. Zo’n kam is een der fijnste die men kent en het linnen wat daarop geweven wordt, is van het fijnste en breedste wat er bestaat. Op zijn elfendertigst heeft dus de betekenis van op fijne uitnemende wijze, uitstekend, netjes en langzaam, daar zulk fijn weefsel veel tijd vergt.’

H. Atzema-Schaaf

Veendam

Duivensnavel

Met grote interesse heb ik kennis genomen van het artikel over de zoveelste onenigheid over de betekenis van magnetische zin bij vogels (Het zesde zintuig van de duif, Wetenschapsbijlage 21 april).

De sterke nadruk op het onderzoek naar de rol en het mechanisme van magnetische zin, soms met voorbijgaan aan andere sensorische zintuigsystemen, heeft in de literatuur en op congressen tot menig verhit debat geleid.

Een interessant voorbeeld is een publicatie van F. Papi en zijn groep en W.T. Keeton met zijn groep (Journal of Comparative Physiology A, 1978) met de veelzeggende titel ‘Do American and Italian pigeons rely on different homing mechanisms?’. Zij probeerden met elkaars duiven het eigen gelijk te bewijzen. Papi poogde aan te tonen dat duiven zich mede oriënteerden via geur, Keeton dat de vogels magnetische informatie gebruiken.

Men leek te vergeten dat het voor een duif van levensbelang is om over een assortiment van zintuiglijke waarnemingen te beschikken, ten einde niet het spoor bijster te raken als hij zich over grote afstanden over een wisselend substraat verplaatst. Boven een ijzerhoudende bodem laat de magnetische zin het afweten.

Verschillende zintuigsystemen is wel eens een rol toebedeeld als medium voor de magnetische zin: de nervus opticus (gezichtszenuw), de nervus olfactorius (reukzenuw) – een oudere, achterhaalde suggestie – en dan de nervus trigeminus, de drielingzenuw. Die laatste brengt informatie over vanuit een rijke collectie tastzintuigen in en andere mechanoreceptoren in snavel en tong naar het centraal zenuwstelsel. Verder bereikt via deze zenuw ook informatie uit spierzintuigen de hersenen.

Het komt mij voor dat een antwoord op de vraag naar de werking van de magnetische zin gegeven kan worden, als men zowel de perifere zintuigen en de binnen de hersenen betrokken systemen hierbij betrekt.

J.L. Dubbeldam

Leiderdorp